Logo

Studiegids FHTL

19SBVWPD Werken in de praktijk: Docent religie levensbeschouwing

30 ec

voltijd: 144 cu (72 bijeenkomsten)
deeltijd: 114 cu (57 bijeenkomsten)

Ba DRL jaar 4
Ko Drl jaar 1

Beroepsvoorbereiding

In deze module wordt geschiktheid voor het vak aangetoond met verschillende beroepsproducten.

1. Beroepsproduct ontwerpen: lessenserie
2. Beroepsproduct leerlingbegeleiding: handelingsplan aan de hand van een casus.
3. Beroepsproduct godsdienstpedagogiek: vakvisie
Overall reflectie

De bijbehorende colleges gelden als werkcolleges met een verplichte aanwezigheid.
Daarbij wordt verwacht dat de studenten voorbereidend werk voor de colleges gemaakt hebben en inbreng hebben in de colleges.
Voor inlevertermijnen, formatieve toetsing en no-go/go beslissingen: zie studiehandleiding.

Stage, supervisie, werkcollege en practicum

  • Begrijpen: E17. De student benoemt de samenhang tussen de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogramma’s.
  • Begrijpen: E18. De student kent de kerndoelen en eindtermen van het vak. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de student actuele kennis heeft van beroepen in de branche(s) waarvoor de student opleidt en verband kan leggen tussen de leerst
  • Begrijpen: E15. De student overziet de opbouw van het curriculum van het vak, de plaats van het vak in het curriculum van de opleiding en de doorlopende leerlijnen.
  • Toepassen: E32. De student legt uit en verantwoordt de vakdidactische aanpak aan de hand van de concepten (theorieën, principes, wetmatigheden) uit de kennisbasis.
  • Toepassen: E11. De student kan groepsprocessen sturen en begeleiden en problemen daarbinnen benoemen, kan grenzen stellen en dit alles koppelen aan gewenst docentgedrag.
  • Toepassen: E3. De student kan de lesstof afstemmen op de verschillen tussen leerlingen in tempo, niveau, instructie en aanpak. De student weet aan te sluiten bij het dagelijks leven, werk, maatschappij en wetenschap.
  • Toepassen: E4. De student werkt samenhangende lessen uit met passende werkvormen, materialen en media afgestemd op het niveau en de kenmerken van de leerlingen (differentiatie). In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de student onderwijs vo
  • Toepassen: E10. De student creëert een leerklimaat waarin de leerlingen ruimte voelen voor het maken van vergissingen en fouten.
  • Toepassen: E22. De student past verschillende manieren toe om zowel met behulp van als los van een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen leerlingen. De student vult de methode aan en verrijkt de methode
  • Toepassen: E23. De student organiseert onderwijs waarbij de samenwerking, zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid van leerlingen gestimuleerd wordt en voert dit uit.
  • Toepassen: E2. De student heeft zich praktisch en theoretisch verdiept in de leerstof en de leertheorie, waardoor de student de leerstof op een begrijpelijke en aansprekende manier samenstelt, uitlegt en laat zien hoe ermee gewerkt gaat worden. In de context van het
  • Toepassen: E1. De student staat boven de leerstof en legt relaties tussen de leerinhouden van het vakdomein en aanverwante vakken.
  • Toepassen: E26. De student gebruikt digitale basisvaardigheden om ICT zinvol in te zetten binnen het onderwijs en mediavaardigheid en -wijsheid bij te brengen aan de leerlingen.
  • Toepassen: E27. De student signaleert ontwikkelingsproblemen, gedragsproblemen en gedragsstoornissen en zoekt indien nodig met hulp van collega’s oplossingen of verwijst door.
  • Toepassen: E6. De student zet effectieve didactische strategieën in op basis van kennis over leer- en motivatieprocessen en hanteert ICT om deze processen te sturen.
  • Toepassen: E29. De student draagt vanuit de inhoudelijke expertise in samenwerking met collega´s en de omgeving van de school bij aan de breedte, de samenhang en de actualiteit van het curriculum van de school. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt
  • Toepassen: E13. De student creëert een leerklimaat waarin het kunnen omgaan met religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit een kernkwaliteit is en waarin moeilijke en gevoelige onderwerpen bespreekbaar zijn.
  • Toepassen: E33. De student legt het onderwijs en de pedagogische omgang met zijn leerlingen uit en verantwoordt deze aan de hand van pedagogische en ontwikkelingspsychologische concepten aan anderen die bij de leerlingen betrokken zijn.
  • Toepassen: E14. De student begeleidt leerlingen op levensbeschouwelijk en ethisch gebied en helpt hen zich te ontwikkelen door middel van o.a. verhalende tradities (persoonsvorming/ subjectificatie).
  • Toepassen: E35. De student levert een bijdrage aan burgerschapsvorming en de ontwikkeling van de leerling tot een zelfstandige en verantwoordelijke volwassene. In de context van beroepsgericht onderwijs gaat het hier om de begeleiding van de leerling bij de oriënta
  • Toepassen: E12. De student begeleidt leerlingen op weg naar de maatschappij van morgen, waarbij de student rekening houdt met de diversiteit onder hen. De student signaleert het als leerlingen extra ondersteuning nodig hebben, mede gebaseerd op kennis van ontwikkeli
  • Toepassen: De student: werkt samen met relevante actoren (waaronder ouders) en netwerken binnen en buiten de school om het eigen handelen te verbeteren en bij te dragen aan schoolontwikkeling. (Samenwerkend en ondernemend)
  • Toepassen: De student heeft aantoonbare kennis over en inzicht in de laatste ontwikkelingen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. De student draagt bij aan de maatschappelijke functie van onderwijs. (Innovatief en ondernemend)
  • Toepassen: De student leert en werkt samen met collega’s in het gebruik van ict, participeert in online sociale netwerken en is innovatief in het gebruik van ict. (Samenwerkend en ondernemend)
  • Toepassen: De student kan informatie, ideeën en oplossingen overbrengen waarbij inhoudelijke communicatie verbonden wordt aan correcte spreek‐ en presentatietechnieken. De student kan zich zowel mondeling als schriftelijk helder, correct en zorgvuldig uitdrukken
  • Toepassen: E16. De student licht toe hoe het onderwijs voortbouwt op het voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs (zoals middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs, andere vervolgopleidingen) of de beroepspraktijk.
  • Toepassen: E9. De student creëert een stimulerend en ondersteunend leerklimaat door vertrouwen te wekken bij de leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat te scheppen en levert hiermee een bijdrage aan de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de leerlinge
  • Analyseren: E8. Hermeneutiek: de student kan bronnen uit de media, kunst en literatuur analyseren en interpreteren op levensbeschouwelijke thema’s en inzetten in de les.
  • Analyseren: De student voert op een systematische wijze en in dialoog met belanghebbenden een praktijkgericht onderzoek uit waarbij antwoorden verkregen worden op vragen die ontstaan in de eigen onderwijspraktijk en gericht zijn op verbetering van deze praktijk.
  • Analyseren: E20. De student volgt bij de uitvoering van het onderwijs de ontwikkeling van de leerlingen. De student toetst en analyseert regelmatig en adequaat of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt. Hiervoor ontwerp de student een onderwijsprogramma
  • Analyseren: De student verbindt theorie en praktijk met elkaar met behulp van vakliteratuur en neemt bewust verschillende perspectieven in. (Kritisch)
  • Analyseren: De student werkt op een systematische wijze aan praktijkgericht onderzoek waarbij de student uitgaat van een analyse van het vraagstuk, gemotiveerde keuzes voor methoden en technieken maakt bij het verzamelen en analyseren van data en laat zien analyser
  • Analyseren: De student is in staat effectief informatie te zoeken en te vinden, de betrouwbaarheid van deze informatie te beoordelen, diverse informatiebronnen te benutten, informatie van diverse bronnen met elkaar te vergelijken en de gevonden informatie te synthe
  • Analyseren: E24. De student verzamelt en analyseert bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie stelt op grond daarvan het onderwijs waar nodig bij.
  • Analyseren: E25. De student begeleidt de leerling gericht met constructieve feedback en stimulerende vragen gericht op zowel het leerproces als het product.
  • Analyseren: E21. De student vergelijkt verschillende methodes (onder meer methodes ten behoeve van beroepsgericht onderwijs) van het vakgebied en stelt criteria op waarmee de leraar methodes kan selecteren voor het onderwijs.
  • Synthetiseren (oud): E7. De student ontwerpt toetsen die valide, betrouwbaar en transparant zijn en geschikt voor het doel dat de student nastreeft met het onderwijs
  • Synthetiseren (oud): E28. De student maakt samen met collega’s op basis van een (godsdienst)pedagogische visie onderbouwde keuzes die passen bij de context van de school en de leerlingenpopulatie.
  • Synthetiseren (oud): E30. De student is in staat een eigen visie op het vak te beschrijven en zich daarmee te verhouden tot de visie en confessionele/ levensbeschouwelijke identiteit van de school.
  • Synthetiseren (oud): E36. De student ontwikkelt, mede gebaseerd op de katholieke visie op onderwijs, een visie op de confessionele/ levensbeschouwelijke identiteit van de school.
  • Synthetiseren (oud): E19. De student brengt in een eigen ontwerp van een leerarrangement een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van de leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen.
  • Synthetiseren (oud): De student draagt met het onderzoek praktijknabije kennis aan voor zowel zichzelf als de opleidingsschool in de vorm van beroepsproducten die gedeeld worden met school en betrokkenen. (Onderzoekend en innovatief)
  • Evalueren: E31. De student reflecteert op de vakdidactische aanpak en gebruikt feedback van anderen om de eigen ontwikkeling te analyseren, bij te stellen en zelfsturing te geven.
  • Evalueren: E34. De student reflecteert op de pedagogische aanpak en gebruikt feedback van anderen (ook buiten de context van de school) om de eigen ontwikkeling te analyseren en bij te stellen.
  • Evalueren: De student reflecteert op ervaringen zodat de student ervan kan leren en erover kan communiceren met anderen. (Kritisch)
  • Evalueren: E5. De student kan het handelen verantwoorden vanuit een onderwijskundig referentiekader dat mede is gebaseerd op verschillende leertheorieën, godsdienstpedagogische opvattingen, ontwikkelingspsychologie en vakdidactische benaderingen.

Klik hier voor de toetsmatrijs.

Ba DRL

  • 1.1 Kennis van en inzicht in religie in de diverse wetenschappelijke benaderingen en culturele contexten; zoals Bijbelwetenschappen en systematische theologie, en vakken als godsdienstwijsbegeerte, religiegeschiedenis en godsdienstsociologie.
  • 1.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van modellen om religies (en stromingen binnen religies) met elkaar te kunnen vergelijken; kennis van theorieën over het ontstaan en functie van religie, en van het systeemkarakter van religieuze tradities. Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse benaderingswijzen van levensbeschouwing;
    van levensbeschouwelijke vormen van taal en betekenis van taal; van symbolisch verstaan van taal.
  • 2.1 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van Jodendom.
  • 2.2 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van christendom.
  • 2.3 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van islam.
  • 2.4 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van hindoeïsme.
  • 2.5 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van boeddhisme.
  • 2.6 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van humanisme.
  • 3.1 Kennis van, inzicht in en toepassen van de hermeneutische theorieën op zowel schriftelijke teksten als andere (kunst-)uitingen.
  • 3.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van vormen van (interreligieuze) communicatie benoemen en de processen daarbinnen.
  • 3.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van de diverse gespreksvormen.
  • 4.1 Kennis van, inzicht in en toepassen van fundamentele vragen over bestaan, ontstaan, tijd-ruimte, eindigheid, leven en diverse vormen van onderscheid tussen al wat is.
  • 4.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van verschijnselen die behoren tot de godsdienstfilosofie en culturele antropologie en over analyse en interpretatie van godsdienstfilosofische teksten en argumentaties.
  • 4.3 Kennis van, inzicht in drogredenen; interne en externe validiteit; inductie en deductie; verifiëren en falsificeren.
  • 5.1 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse stromingen binnen de descriptieve en normatieve ethiek.
  • 5.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse concepten die de relatie tussen ethiek en religie.
  • 5.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse profielen van ethiek en ethische benadering op maatschappelijke en actuele problematieken.
  • 5.4 Kennis van, inzicht in en toepassing van de wijze waarop ethiek gestalte krijgt in diverse gebieden.
  • 6.1 Kennis van en inzicht in zowel de historische als de actuele kerkelijke kaart in Nederland.
  • 6.2 Kennis van en inzicht in de ontwikkeling van de concepten uit de christelijke traditie.
  • 6.3 Kennis van en inzicht in de geschiedenis van het christendom. Kennis van methoden van geschiedwetenschap en periodisering.
  • 7.1 Kennis van en inzicht in actuele godsdienstsociologische themas in relatie tot jongerencultuur, en toepassing van de kennis en dit inzicht in praktijksituaties.
  • 7.2 Kennis van, inzicht in en toepassing van klassieke en actuele godsdienst-psychologische themas in relatie tot de beroepspraktijk.
  • 8.1 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak in de culturele, historische en maatschappelijke context.
    Toepassing van levensbeschouwelijke, religieuze of religiewetenschappelijke optiek op basis van informatie en argumenten.
  • 8.2 Kennis van, inzicht in, en toepassing van verschillende (vak-) didactische concepten en methodes voor het vak.
    Opnemen toetsing en beoordeling.
  • 8.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van o.a. multimediale werkvormen (ICT, social media); activerende groepswerkvormen; beelddidactische werkvormen; levensbeschouwelijke gespreksvormen.
  • 8.4 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse exegetische methoden en herkennen van manieren van tekstlezen.
  • 8.5 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse methoden om te werken met kunstzinnige uitingen.
  • 8.6 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak G/L in zijn context van school en cultuur. Toepassing van daaruit door een bijdrage te kunnen leveren aan de school(organisatie).

Ko Drl

  • 1.1 Kennis van en inzicht in religie in de diverse wetenschappelijke benaderingen en culturele contexten; zoals Bijbelwetenschappen en systematische theologie, en vakken als godsdienstwijsbegeerte, religiegeschiedenis en godsdienstsociologie.
  • 1.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van modellen om religies (en stromingen binnen religies) met elkaar te kunnen vergelijken; kennis van theorieën over het ontstaan en functie van religie, en van het systeemkarakter van religieuze tradities. Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse benaderingswijzen van levensbeschouwing;
    van levensbeschouwelijke vormen van taal en betekenis van taal; van symbolisch verstaan van taal.
  • 2.1 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van Jodendom.
  • 2.2 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van christendom.
  • 2.3 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van islam.
  • 2.4 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van hindoeïsme.
  • 2.5 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van boeddhisme.
  • 2.6 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van humanisme.
  • 3.1 Kennis van, inzicht in en toepassen van de hermeneutische theorieën op zowel schriftelijke teksten als andere (kunst-)uitingen.
  • 3.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van vormen van (interreligieuze) communicatie benoemen en de processen daarbinnen.
  • 3.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van de diverse gespreksvormen.
  • 4.1 Kennis van, inzicht in en toepassen van fundamentele vragen over bestaan, ontstaan, tijd-ruimte, eindigheid, leven en diverse vormen van onderscheid tussen al wat is.
  • 4.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van verschijnselen die behoren tot de godsdienstfilosofie en culturele antropologie en over analyse en interpretatie van godsdienstfilosofische teksten en argumentaties.
  • 4.3 Kennis van, inzicht in drogredenen; interne en externe validiteit; inductie en deductie; verifiëren en falsificeren.
  • 5.1 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse stromingen binnen de descriptieve en normatieve ethiek.
  • 5.2 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse concepten die de relatie tussen ethiek en religie.
  • 5.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse profielen van ethiek en ethische benadering op maatschappelijke en actuele problematieken.
  • 5.4 Kennis van, inzicht in en toepassing van de wijze waarop ethiek gestalte krijgt in diverse gebieden.
  • 6.1 Kennis van en inzicht in zowel de historische als de actuele kerkelijke kaart in Nederland.
  • 6.2 Kennis van en inzicht in de ontwikkeling van de concepten uit de christelijke traditie.
  • 6.3 Kennis van en inzicht in de geschiedenis van het christendom. Kennis van methoden van geschiedwetenschap en periodisering.
  • 7.1 Kennis van en inzicht in actuele godsdienstsociologische themas in relatie tot jongerencultuur, en toepassing van de kennis en dit inzicht in praktijksituaties.
  • 7.2 Kennis van, inzicht in en toepassing van klassieke en actuele godsdienst-psychologische themas in relatie tot de beroepspraktijk.
  • 8.1 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak in de culturele, historische en maatschappelijke context.
    Toepassing van levensbeschouwelijke, religieuze of religiewetenschappelijke optiek op basis van informatie en argumenten.
  • 8.2 Kennis van, inzicht in, en toepassing van verschillende (vak-) didactische concepten en methodes voor het vak.
    Opnemen toetsing en beoordeling.
  • 8.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van o.a. multimediale werkvormen (ICT, social media); activerende groepswerkvormen; beelddidactische werkvormen; levensbeschouwelijke gespreksvormen.
  • 8.4 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse exegetische methoden en herkennen van manieren van tekstlezen.
  • 8.5 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse methoden om te werken met kunstzinnige uitingen.
  • 8.6 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak G/L in zijn context van school en cultuur. Toepassing van daaruit door een bijdrage te kunnen leveren aan de school(organisatie).
 

Ba DRL

  • 3.1 Een bekwame leraar is een leraar die heeft aangetoond dat hij met zijn vakinhoudelijke, vakdidactische en
    pedagogische kennis en kunde zijn werk als leraar en als deelnemer aan de professionele onderwijsgemeenschap die hij samen met zijn collegas vormt, kan verrichten op een professioneel doelmatige en verantwoorde wijze.j
  • 3.1.1 Zijn eigen onderwijs vormgeven, afstemmen op het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, uitvoeren,
    evalueren en bijstellen
  • 3.1.2 Samenwerken met collegas in - en waar relevant ook buiten - de eigen instelling en zijn professionele
    handelen waar nodig afstemmen met hen.
  • 3.1.3 Bijdragen leveren aan onderwijskundige ontwikkelingen door het raadplegen van bronnen, het inbrengen
    van informatie en kritische bijdragen aan oordeelsvorming en het oplossen van praktijkproblemen.
  • 3.1.4 Meewerken aan praktijkgericht onderzoek ten behoeve van onderwijsontwikkelingen en gebruik maken
    van nieuwe kennis en inzichten uit onderzoek die praktijkgericht zijn uitgewerkt en beproefd.
  • 3.1.5 Zijn professionele handelen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.1.6 Zelfstandig vormgeven aan zijn professionele ontwikkeling.
  • 3.2 Vakinhoudelijk bekwaam wil zeggen dat de leraar de inhoud van zijn onderwijs beheerst. Hij ’staat boven’ de
    leerstof en kan die zo samenstellen, kiezen en/of bewerken dat zijn leerlingen die kunnen leren. De leraar kan
    vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap
    en bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen. Hij houdt zijn vakkennis en -kunde actueel. Om
    vakinhoudelijk bekwaam te zijn moet de leraar ten minste het volgende in algemene termen weten en kunnen.
  • 3.2.1 De leraar beheerst de leerstof qua kennis en vaardigheden waarvoor hij verantwoordelijk is en kent
    de theoretische en praktische achtergronden van zijn vak. Hij kan de leerstof op een begrijpelijke en
    aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden. In de
    context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de beheersing van de leerstof ook gericht is op
    de beroepspraktijk en de verbinding van de theorie aan de (beroeps-)praktijk.
  • 3.2.2 De leraar kent de relatie van de leerstof voor zijn vak met de kerndoelen, eindtermen en
    eindexamenprogrammas. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat hij actuele
    kennis heeft van beroepen in de branche(-s) waarvoor hij opleidt en verband kan leggen tussen de leerstof
    en de kwalificatiedossiers van die branche(-s).
  • 3.2.3 De leraar overziet de opbouw van het curriculum van zijn vak, de plaats van zijn vak in het curriculum
    van de opleiding en de doorlopende leerlijnen. Hij weet hoe zijn onderwijs voortbouwt op het
    voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs (zoals middelbaar beroepsonderwijs, hoger
    beroepsonderwijs, andere vervolgopleidingen) of de beroepspraktijk. De leraar kent de samenhang tussen
    de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogrammas. Hij kan vanuit zijn inhoudelijke
    expertise in samenwerking met zijn collegas en de omgeving van de school bijdragen aan de breedte,
    de samenhang en de actualiteit van het curriculum van zijn school.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit ook in dat hij in staat is tot het onderhouden
    en benutten van contacten met het beroepenveld waarvoor hij opleidt.
  • 3.2.4 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van het curriculum waarin
    hij werkt, namelijk één of meer van de verschillende leerwegen van het vmbo, het praktijkonderwijs, de
    onderbouw havo/vwo of de verschillende typen en niveaus van de educatie en het beroepsonderwijs.
  • 3.2.5 De leraar weet dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en
    leren. Hij kan zijn onderwijs afstemmen op die verschillen tussen leerlingen. De leraar kan zijn leerlingen
    duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor beroepspraktijk en vervolgonderwijs. Hij kan
    daarbij vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met
    wetenschap en zo bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen.
  • 3.3 Vakdidactisch bekwaam wil zeggen dat de leraar de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming
    met zijn collegas en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school. Hij weet die vakinhoud te vertalen
    in leerplannen of leertrajecten. Hij doet dit op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin de
    volgende handelingselementen herkenbaar zijn.
  • 3.3.1 Hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen,
    de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen.
  • 3.3.2 Bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen; hij toetst en analyseert
    regelmatig en adequaat of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt; op basis van zijn analyse
    stelt hij zo nodig zijn onderwijs didactisch bij.
  • 3.3.3 Zijn onderwijs gaat met de tijd mee.
  • 3.3.A Vakdidactisch bekwaam, kennis
  • 3.3.A1 De leraar heeft kennis van verschillende leer- en onderwijstheorieën die voor zijn onderwijspraktijk relevant
    zijn en kan die herkennen in het leren van zijn leerlingen. In de context van het beroepsgerichte onderwijs
    houdt dit onder andere in dat hij zich verdiept in de theoretische en praktische aspecten van leren op de
    werkplek.
  • 3.3.A2 De leraar kent verschillende methodes15 (onder meer methodes ten behoeve van beroepsgericht onderwijs)
    en criteria waarmee hij de bruikbaarheid van de methodes voor zijn leerlingen kan vaststellen. Hij kent
    verschillende manieren om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen
    leerlingen. Hij kan de methode aanvullen en verrijken.
  • 3.3.A3 De leraar weet hoe een leerplan in elkaar zit en kent de criteria waaraan een goed leerplan moet voldoen
    (onder meer in het kader van beroepsgericht onderwijs).
  • 3.3.A4 De leraar heeft kennis van digitale leermaterialen en -middelen. Hij kent de technische en pedagogischdidactische mogelijkheden en beperkingen daarvan.
  • 3.3.A5 De leraar kent verschillende didactische leer- en werkvormen (onder meer ten behoeve van het
    beroepsgerichte onderwijs) en de psychologische achtergrond daarvan. Hij kent criteria waarmee de
    bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld.
  • 3.3.A6 De leraar kent verschillende doelen van evalueren en toetsen. Hij kent verschillende, bij deze doelen
    passende vormen van observeren, toetsen en examineren. Hij kan toetsen16 ontwikkelen, toetsresultaten
    beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens beoordelen. Hij kan
    bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn
    onderwijs waar nodig bijstellen.
  • 3.3.A7 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type
    onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is. In de context van het beroepsgerichte
    onderwijs houdt dit in dat hij zich verdiept heeft in didactiek ten behoeve van beroepsgericht onderwijs,
    de vormgeving en begeleiding van het leren op de werkplek en op de samenwerking met het beroepenveld
    en met praktijkbegeleiders bij het begeleiden van dit leren.
  • 3.3.B Vakdidactisch bekwaam, kunde
  • 3.3.B.a1 Doelen stellen, leerstof selecteren en ordenen.
  • 3.3.B.a2 Samenhangende lessen17 uitwerken met passende werkvormen, materialen en media, afgestemd op het
    niveau en de kenmerken van zijn leerlingen. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in
    dat hij onderwijs kan vormgeven gericht op de beroepspraktijk.
  • 3.3.B.a3 Passende en betrouwbare toetsen kiezen, maken of samenstellen.
  • 3.3.B.b De leraar kan onderwijs uitvoeren en het leren organiseren:
  • 3.3.B.b1 Een adequaat klassenmanagement realiseren en leiding en begeleiding geven aan groepen leerlingen
    buiten de context van klas of les.
  • 3.3.B.b2 Aan leerlingen de verwachtingen en leerdoelen duidelijk maken en leerlingen motiveren om deze te halen.
  • 3.3.B.b3 De leerstof aan zijn leerlingen begrijpelijk en aansprekend uitleggen, voordoen hoe ermee gewerkt moet
    worden en daarbij inspelen op de taalbeheersing en taalontwikkeling van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b4 Doelmatig gebruik maken van beschikbare digitale leermaterialen en middelen.
  • 3.3.B.b5 De leerlingen met gerichte activiteiten de leerstof laten verwerken, daarbij variatie aanbrengen en bij
    instructie en verwerking en een gerichte inzet van loopbaan oriëntatie en begeleiding, differentiëren
    naar niveau en kenmerken van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b6 De leerling begeleiden bij die verwerking, stimulerende vragen stellen en opbouwende gerichte
    feedback geven op taak en aanpak.
  • 3.3.B.b7 Samenwerking, zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid stimuleren.
  • 3.3.B.c De leraar kan onderwijs evalueren en ontwikkelen:
  • 3.3.B.c1 De voortgang volgen, de resultaten toetsen, analyseren en beoordelen.
  • 3.3.B.c2 Feedback vragen van leerlingen en deze feedback tezamen met zijn eigen analyse van de voortgang
    gebruiken voor een gericht vervolg van het onderwijsleerproces.
  • 3.3.b.c3 Leerproblemen signaleren en indien nodig met hulp van collegas oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.3.B.c4 Advies vragen aan collegas of andere deskundigen; hij weet wanneer en hoe hij advies kan geven. (Hierbij
    kan de leraar gebruik maken van methodieken voor professionele consultatie en leren zoals supervisie en
    intervisie.)
  • 3.3.B.c5 Zijn didactische aanpak en handelen evalueren, analyseren, bijstellen en ontwikkelen.
  • 3.3.B.c6 Bijdragen aan pedagogisch-didactische evaluaties in zijn school en deze in afstemming met zijn collegas
    gebruiken bij de onderwijsontwikkeling in zijn school.
  • 3.3.B.c7 De inhoud en de didactische aanpak van zijn onderwijs uitleggen en verantwoorden.
  • 3.3.B.c8 Kritisch reflecteren op zijn eigen pedagogisch-didactisch handelen.
  • 3.4 Pedagogische bekwaamheid wil zeggen dat de leraar op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze en
    in samenwerking met zijn collegas een veilig, ondersteunend en stimulerend leerklimaat voor zijn leerlingen
    kan realiseren. Hij volgt de ontwikkeling van zijn leerlingen in hun leren en gedrag en stemt daarop zijn
    handelen af. Hij draagt bij aan de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen. Hij kan zijn
    pedagogisch handelen afstemmen met zijn collegas en met anderen die voor de ontwikkeling van de leerling
    verantwoordelijk zijn. Deze uitspraak heeft een brede betekenis en impliceert ook de bijdrage van de leraar aan
    burgerschapsvorming en de ontwikkeling van de leerling tot een zelfstandige en verantwoordelijke volwassene.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij zijn
    orintatie op beroepen en het ontwikkelen van beroepsidentiteit. Ook in pedagogische zin blijft zijn onderwijs
    van deze tijd.
  • 3.4.1 De onderstaande eisen gelden voor alle leraren, maar hebben een specifieke betekenis in de context van het
    onderwijs in een bepaald vak of leergebied en binnen de sector en het type onderwijs waar de leraar werkt18.
    De volgorde van de eisen drukt geen rangorde uit, noch een gewenste opeenvolging van handelingen.
  • 3.4.A Pedagogisch bekwaam, kennis
  • 3.4.A1 Hij heeft kennis van ontwikkelingstheorieen en de gedragswetenschappelijke theorie die voor
    zijn onderwijspraktijk relevant zijn (bijvoorbeeld elementen uit de sociale psychologie en de
    communicatietheorie) en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit onder andere in dat hij zich verdiept in de
    theoretische en praktische aspecten van het leren functioneren in een beroep en de ontwikkeling van
    beroepsidentiteit.
  • 3.4.A2 Hij heeft kennis van agogische en pedagogische theorieen en methodieken, die voor zijn onderwijspraktijk
    relevant zijn en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
  • 3.4.A3 Hij heeft kennis van veelvoorkomende ontwikkelings- en gedragsproblemen en -stoornissen.
  • 3.4.A4 Hij weet hoe hij zicht kan krijgen op de leefwereld van zijn leerlingen en hun sociaal-culturele achtergrond.
    Hij weet hoe hij daarmee rekening kan houden in zijn onderwijs.
  • 3.4.A5 Hij heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de pedagogiek van het type onderwijs en het deel van het
    curriculum waarin hij werkzaam is.
  • 3.4.B Pedagogisch bekwaam, kunde
  • 3.4.B1 Hij kan groepsprocessen sturen en begeleiden.
  • 3.4.B10 Hij is in staat tot kritische reflectie op zichzelf in de pedagogische relatie.
  • 3.4.B2 Hij kan vertrouwen wekken bij zijn leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat scheppen.
  • 3.4.B3 Hij kan ruimte scheppen voor leren, inclusief het maken van vergissingen en fouten.
  • 3.4.B4 Hij kan verwachtingen duidelijk maken en eisen stellen aan leerlingen.
  • 3.4.B5 Hij kan het zelfvertrouwen van leerlingen stimuleren, hen aanmoedigen en motiveren (onder meer in het
    kader van loopbaanorintatie en begeleiding).
  • 3.4.B6 Hij heeft oog voor de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen en doet daar recht aan.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij
    het ontwikkelen van beroepsidentiteit.
  • 3.4.B7 Hij kan ontwikkelings-, gedragsproblemen en -stoornissen signaleren en indien nodig met hulp van collegas
    oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.4.B8 Hij kan zijn onderwijs en zijn pedagogische omgang met zijn leerlingen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.4.B9 Hij kan zijn pedagogisch handelen afstemmen met anderen die vanuit hun professionele
    verantwoordelijkheid bij de leerling betrokken zijn, zoals begeleiders van het leren op de werkplek en
    (indien de leerling nog niet volwassen is) ouders.

Ko Drl

  • 3.1 Een bekwame leraar is een leraar die heeft aangetoond dat hij met zijn vakinhoudelijke, vakdidactische en
    pedagogische kennis en kunde zijn werk als leraar en als deelnemer aan de professionele onderwijsgemeenschap die hij samen met zijn collegas vormt, kan verrichten op een professioneel doelmatige en verantwoorde wijze.j
  • 3.1.1 Zijn eigen onderwijs vormgeven, afstemmen op het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, uitvoeren,
    evalueren en bijstellen
  • 3.1.2 Samenwerken met collegas in - en waar relevant ook buiten - de eigen instelling en zijn professionele
    handelen waar nodig afstemmen met hen.
  • 3.1.3 Bijdragen leveren aan onderwijskundige ontwikkelingen door het raadplegen van bronnen, het inbrengen
    van informatie en kritische bijdragen aan oordeelsvorming en het oplossen van praktijkproblemen.
  • 3.1.4 Meewerken aan praktijkgericht onderzoek ten behoeve van onderwijsontwikkelingen en gebruik maken
    van nieuwe kennis en inzichten uit onderzoek die praktijkgericht zijn uitgewerkt en beproefd.
  • 3.1.5 Zijn professionele handelen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.1.6 Zelfstandig vormgeven aan zijn professionele ontwikkeling.
  • 3.2 Vakinhoudelijk bekwaam wil zeggen dat de leraar de inhoud van zijn onderwijs beheerst. Hij ’staat boven’ de
    leerstof en kan die zo samenstellen, kiezen en/of bewerken dat zijn leerlingen die kunnen leren. De leraar kan
    vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap
    en bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen. Hij houdt zijn vakkennis en -kunde actueel. Om
    vakinhoudelijk bekwaam te zijn moet de leraar ten minste het volgende in algemene termen weten en kunnen.
  • 3.2.1 De leraar beheerst de leerstof qua kennis en vaardigheden waarvoor hij verantwoordelijk is en kent
    de theoretische en praktische achtergronden van zijn vak. Hij kan de leerstof op een begrijpelijke en
    aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden. In de
    context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de beheersing van de leerstof ook gericht is op
    de beroepspraktijk en de verbinding van de theorie aan de (beroeps-)praktijk.
  • 3.2.2 De leraar kent de relatie van de leerstof voor zijn vak met de kerndoelen, eindtermen en
    eindexamenprogrammas. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat hij actuele
    kennis heeft van beroepen in de branche(-s) waarvoor hij opleidt en verband kan leggen tussen de leerstof
    en de kwalificatiedossiers van die branche(-s).
  • 3.2.3 De leraar overziet de opbouw van het curriculum van zijn vak, de plaats van zijn vak in het curriculum
    van de opleiding en de doorlopende leerlijnen. Hij weet hoe zijn onderwijs voortbouwt op het
    voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs (zoals middelbaar beroepsonderwijs, hoger
    beroepsonderwijs, andere vervolgopleidingen) of de beroepspraktijk. De leraar kent de samenhang tussen
    de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogrammas. Hij kan vanuit zijn inhoudelijke
    expertise in samenwerking met zijn collegas en de omgeving van de school bijdragen aan de breedte,
    de samenhang en de actualiteit van het curriculum van zijn school.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit ook in dat hij in staat is tot het onderhouden
    en benutten van contacten met het beroepenveld waarvoor hij opleidt.
  • 3.2.4 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van het curriculum waarin
    hij werkt, namelijk één of meer van de verschillende leerwegen van het vmbo, het praktijkonderwijs, de
    onderbouw havo/vwo of de verschillende typen en niveaus van de educatie en het beroepsonderwijs.
  • 3.2.5 De leraar weet dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en
    leren. Hij kan zijn onderwijs afstemmen op die verschillen tussen leerlingen. De leraar kan zijn leerlingen
    duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor beroepspraktijk en vervolgonderwijs. Hij kan
    daarbij vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met
    wetenschap en zo bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen.
  • 3.3 Vakdidactisch bekwaam wil zeggen dat de leraar de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming
    met zijn collegas en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school. Hij weet die vakinhoud te vertalen
    in leerplannen of leertrajecten. Hij doet dit op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin de
    volgende handelingselementen herkenbaar zijn.
  • 3.3.1 Hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen,
    de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen.
  • 3.3.2 Bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen; hij toetst en analyseert
    regelmatig en adequaat of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt; op basis van zijn analyse
    stelt hij zo nodig zijn onderwijs didactisch bij.
  • 3.3.3 Zijn onderwijs gaat met de tijd mee.
  • 3.3.A Vakdidactisch bekwaam, kennis
  • 3.3.A1 De leraar heeft kennis van verschillende leer- en onderwijstheorieën die voor zijn onderwijspraktijk relevant
    zijn en kan die herkennen in het leren van zijn leerlingen. In de context van het beroepsgerichte onderwijs
    houdt dit onder andere in dat hij zich verdiept in de theoretische en praktische aspecten van leren op de
    werkplek.
  • 3.3.A2 De leraar kent verschillende methodes15 (onder meer methodes ten behoeve van beroepsgericht onderwijs)
    en criteria waarmee hij de bruikbaarheid van de methodes voor zijn leerlingen kan vaststellen. Hij kent
    verschillende manieren om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen
    leerlingen. Hij kan de methode aanvullen en verrijken.
  • 3.3.A3 De leraar weet hoe een leerplan in elkaar zit en kent de criteria waaraan een goed leerplan moet voldoen
    (onder meer in het kader van beroepsgericht onderwijs).
  • 3.3.A4 De leraar heeft kennis van digitale leermaterialen en -middelen. Hij kent de technische en pedagogischdidactische mogelijkheden en beperkingen daarvan.
  • 3.3.A5 De leraar kent verschillende didactische leer- en werkvormen (onder meer ten behoeve van het
    beroepsgerichte onderwijs) en de psychologische achtergrond daarvan. Hij kent criteria waarmee de
    bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld.
  • 3.3.A6 De leraar kent verschillende doelen van evalueren en toetsen. Hij kent verschillende, bij deze doelen
    passende vormen van observeren, toetsen en examineren. Hij kan toetsen16 ontwikkelen, toetsresultaten
    beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens beoordelen. Hij kan
    bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn
    onderwijs waar nodig bijstellen.
  • 3.3.A7 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type
    onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is. In de context van het beroepsgerichte
    onderwijs houdt dit in dat hij zich verdiept heeft in didactiek ten behoeve van beroepsgericht onderwijs,
    de vormgeving en begeleiding van het leren op de werkplek en op de samenwerking met het beroepenveld
    en met praktijkbegeleiders bij het begeleiden van dit leren.
  • 3.3.B Vakdidactisch bekwaam, kunde
  • 3.3.B.a1 Doelen stellen, leerstof selecteren en ordenen.
  • 3.3.B.a2 Samenhangende lessen17 uitwerken met passende werkvormen, materialen en media, afgestemd op het
    niveau en de kenmerken van zijn leerlingen. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in
    dat hij onderwijs kan vormgeven gericht op de beroepspraktijk.
  • 3.3.B.a3 Passende en betrouwbare toetsen kiezen, maken of samenstellen.
  • 3.3.B.b De leraar kan onderwijs uitvoeren en het leren organiseren:
  • 3.3.B.b1 Een adequaat klassenmanagement realiseren en leiding en begeleiding geven aan groepen leerlingen
    buiten de context van klas of les.
  • 3.3.B.b2 Aan leerlingen de verwachtingen en leerdoelen duidelijk maken en leerlingen motiveren om deze te halen.
  • 3.3.B.b3 De leerstof aan zijn leerlingen begrijpelijk en aansprekend uitleggen, voordoen hoe ermee gewerkt moet
    worden en daarbij inspelen op de taalbeheersing en taalontwikkeling van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b4 Doelmatig gebruik maken van beschikbare digitale leermaterialen en middelen.
  • 3.3.B.b5 De leerlingen met gerichte activiteiten de leerstof laten verwerken, daarbij variatie aanbrengen en bij
    instructie en verwerking en een gerichte inzet van loopbaan oriëntatie en begeleiding, differentiëren
    naar niveau en kenmerken van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b6 De leerling begeleiden bij die verwerking, stimulerende vragen stellen en opbouwende gerichte
    feedback geven op taak en aanpak.
  • 3.3.B.b7 Samenwerking, zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid stimuleren.
  • 3.3.B.c De leraar kan onderwijs evalueren en ontwikkelen:
  • 3.3.B.c1 De voortgang volgen, de resultaten toetsen, analyseren en beoordelen.
  • 3.3.B.c2 Feedback vragen van leerlingen en deze feedback tezamen met zijn eigen analyse van de voortgang
    gebruiken voor een gericht vervolg van het onderwijsleerproces.
  • 3.3.b.c3 Leerproblemen signaleren en indien nodig met hulp van collegas oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.3.B.c4 Advies vragen aan collegas of andere deskundigen; hij weet wanneer en hoe hij advies kan geven. (Hierbij
    kan de leraar gebruik maken van methodieken voor professionele consultatie en leren zoals supervisie en
    intervisie.)
  • 3.3.B.c5 Zijn didactische aanpak en handelen evalueren, analyseren, bijstellen en ontwikkelen.
  • 3.3.B.c6 Bijdragen aan pedagogisch-didactische evaluaties in zijn school en deze in afstemming met zijn collegas
    gebruiken bij de onderwijsontwikkeling in zijn school.
  • 3.3.B.c7 De inhoud en de didactische aanpak van zijn onderwijs uitleggen en verantwoorden.
  • 3.3.B.c8 Kritisch reflecteren op zijn eigen pedagogisch-didactisch handelen.
  • 3.4 Pedagogische bekwaamheid wil zeggen dat de leraar op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze en
    in samenwerking met zijn collegas een veilig, ondersteunend en stimulerend leerklimaat voor zijn leerlingen
    kan realiseren. Hij volgt de ontwikkeling van zijn leerlingen in hun leren en gedrag en stemt daarop zijn
    handelen af. Hij draagt bij aan de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen. Hij kan zijn
    pedagogisch handelen afstemmen met zijn collegas en met anderen die voor de ontwikkeling van de leerling
    verantwoordelijk zijn. Deze uitspraak heeft een brede betekenis en impliceert ook de bijdrage van de leraar aan
    burgerschapsvorming en de ontwikkeling van de leerling tot een zelfstandige en verantwoordelijke volwassene.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij zijn
    orintatie op beroepen en het ontwikkelen van beroepsidentiteit. Ook in pedagogische zin blijft zijn onderwijs
    van deze tijd.
  • 3.4.1 De onderstaande eisen gelden voor alle leraren, maar hebben een specifieke betekenis in de context van het
    onderwijs in een bepaald vak of leergebied en binnen de sector en het type onderwijs waar de leraar werkt18.
    De volgorde van de eisen drukt geen rangorde uit, noch een gewenste opeenvolging van handelingen.
  • 3.4.A Pedagogisch bekwaam, kennis
  • 3.4.A1 Hij heeft kennis van ontwikkelingstheorieen en de gedragswetenschappelijke theorie die voor
    zijn onderwijspraktijk relevant zijn (bijvoorbeeld elementen uit de sociale psychologie en de
    communicatietheorie) en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit onder andere in dat hij zich verdiept in de
    theoretische en praktische aspecten van het leren functioneren in een beroep en de ontwikkeling van
    beroepsidentiteit.
  • 3.4.A2 Hij heeft kennis van agogische en pedagogische theorieen en methodieken, die voor zijn onderwijspraktijk
    relevant zijn en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
  • 3.4.A3 Hij heeft kennis van veelvoorkomende ontwikkelings- en gedragsproblemen en -stoornissen.
  • 3.4.A4 Hij weet hoe hij zicht kan krijgen op de leefwereld van zijn leerlingen en hun sociaal-culturele achtergrond.
    Hij weet hoe hij daarmee rekening kan houden in zijn onderwijs.
  • 3.4.A5 Hij heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de pedagogiek van het type onderwijs en het deel van het
    curriculum waarin hij werkzaam is.
  • 3.4.B Pedagogisch bekwaam, kunde
  • 3.4.B1 Hij kan groepsprocessen sturen en begeleiden.
  • 3.4.B10 Hij is in staat tot kritische reflectie op zichzelf in de pedagogische relatie.
  • 3.4.B2 Hij kan vertrouwen wekken bij zijn leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat scheppen.
  • 3.4.B3 Hij kan ruimte scheppen voor leren, inclusief het maken van vergissingen en fouten.
  • 3.4.B4 Hij kan verwachtingen duidelijk maken en eisen stellen aan leerlingen.
  • 3.4.B5 Hij kan het zelfvertrouwen van leerlingen stimuleren, hen aanmoedigen en motiveren (onder meer in het
    kader van loopbaanorintatie en begeleiding).
  • 3.4.B6 Hij heeft oog voor de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen en doet daar recht aan.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij
    het ontwikkelen van beroepsidentiteit.
  • 3.4.B7 Hij kan ontwikkelings-, gedragsproblemen en -stoornissen signaleren en indien nodig met hulp van collegas
    oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.4.B8 Hij kan zijn onderwijs en zijn pedagogische omgang met zijn leerlingen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.4.B9 Hij kan zijn pedagogisch handelen afstemmen met anderen die vanuit hun professionele
    verantwoordelijkheid bij de leerling betrokken zijn, zoals begeleiders van het leren op de werkplek en
    (indien de leerling nog niet volwassen is) ouders.

Stage hoofdfase is met ten minste een voldoende afgesloten.
Assessment hoofdfase is behaald.

Opdrachten, reflectieverslagen, presentaties, leerverslagen

op de aangegeven inlevermomenten, zie studiewijzer

Minimaal voldoende voor afronding vak

  • Reflectie/Leerverslag
  • Onderzoeksverslag
  • Stageverslag
  • Begrijpen
  • Toepassen
  • Analyseren
  • Synthetiseren (oud)
  • Evalueren

cijfer 1-10

10 werkdagen na inlevering van het gemaakte werk

Verplichte literatuur

  • Wal, J. van der, J. de Wilde (2021), Identiteitsontwikkeling en leerlingbegeleiding. Bussum: Coutinho, 6e druk (aanschaffen)

Aanbevolen literatuur

 

 

Toetsmatrijs 2022 - 2023

beoord. niveauleerdoeltoetsitemweging
Begrijpen E17. De student benoemt de samenhang tussen de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogramma’s. (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Begrijpen E18. De student kent de kerndoelen en eindtermen van het vak. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de student actuele kennis heeft van beroepen in de branche(s) waarvoor de student opleidt en verband kan leggen tussen de leerst (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Begrijpen E15. De student overziet de opbouw van het curriculum van het vak, de plaats van het vak in het curriculum van de opleiding en de doorlopende leerlijnen. (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Toepassen E32. De student legt uit en verantwoordt de vakdidactische aanpak aan de hand van de concepten (theorieën, principes, wetmatigheden) uit de kennisbasis. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E11. De student kan groepsprocessen sturen en begeleiden en problemen daarbinnen benoemen, kan grenzen stellen en dit alles koppelen aan gewenst docentgedrag. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E3. De student kan de lesstof afstemmen op de verschillen tussen leerlingen in tempo, niveau, instructie en aanpak. De student weet aan te sluiten bij het dagelijks leven, werk, maatschappij en wetenschap. (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Toepassen E4. De student werkt samenhangende lessen uit met passende werkvormen, materialen en media afgestemd op het niveau en de kenmerken van de leerlingen (differentiatie). In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de student onderwijs vo (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E10. De student creëert een leerklimaat waarin de leerlingen ruimte voelen voor het maken van vergissingen en fouten. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E22. De student past verschillende manieren toe om zowel met behulp van als los van een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen leerlingen. De student vult de methode aan en verrijkt de methode (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E23. De student organiseert onderwijs waarbij de samenwerking, zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid van leerlingen gestimuleerd wordt en voert dit uit. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E2. De student heeft zich praktisch en theoretisch verdiept in de leerstof en de leertheorie, waardoor de student de leerstof op een begrijpelijke en aansprekende manier samenstelt, uitlegt en laat zien hoe ermee gewerkt gaat worden. In de context van het (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Toepassen E1. De student staat boven de leerstof en legt relaties tussen de leerinhouden van het vakdomein en aanverwante vakken. (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Toepassen E26. De student gebruikt digitale basisvaardigheden om ICT zinvol in te zetten binnen het onderwijs en mediavaardigheid en -wijsheid bij te brengen aan de leerlingen. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E27. De student signaleert ontwikkelingsproblemen, gedragsproblemen en gedragsstoornissen en zoekt indien nodig met hulp van collega’s oplossingen of verwijst door. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E6. De student zet effectieve didactische strategieën in op basis van kennis over leer- en motivatieprocessen en hanteert ICT om deze processen te sturen. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E29. De student draagt vanuit de inhoudelijke expertise in samenwerking met collega´s en de omgeving van de school bij aan de breedte, de samenhang en de actualiteit van het curriculum van de school. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Toepassen E13. De student creëert een leerklimaat waarin het kunnen omgaan met religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit een kernkwaliteit is en waarin moeilijke en gevoelige onderwerpen bespreekbaar zijn. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E33. De student legt het onderwijs en de pedagogische omgang met zijn leerlingen uit en verantwoordt deze aan de hand van pedagogische en ontwikkelingspsychologische concepten aan anderen die bij de leerlingen betrokken zijn. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E14. De student begeleidt leerlingen op levensbeschouwelijk en ethisch gebied en helpt hen zich te ontwikkelen door middel van o.a. verhalende tradities (persoonsvorming/ subjectificatie). (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E35. De student levert een bijdrage aan burgerschapsvorming en de ontwikkeling van de leerling tot een zelfstandige en verantwoordelijke volwassene. In de context van beroepsgericht onderwijs gaat het hier om de begeleiding van de leerling bij de oriënta (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen E12. De student begeleidt leerlingen op weg naar de maatschappij van morgen, waarbij de student rekening houdt met de diversiteit onder hen. De student signaleert het als leerlingen extra ondersteuning nodig hebben, mede gebaseerd op kennis van ontwikkeli (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Toepassen De student: werkt samen met relevante actoren (waaronder ouders) en netwerken binnen en buiten de school om het eigen handelen te verbeteren en bij te dragen aan schoolontwikkeling. (Samenwerkend en ondernemend) (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Toepassen De student heeft aantoonbare kennis over en inzicht in de laatste ontwikkelingen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. De student draagt bij aan de maatschappelijke functie van onderwijs. (Innovatief en ondernemend) (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Toepassen De student leert en werkt samen met collega’s in het gebruik van ict, participeert in online sociale netwerken en is innovatief in het gebruik van ict. (Samenwerkend en ondernemend) (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Toepassen De student kan informatie, ideeën en oplossingen overbrengen waarbij inhoudelijke communicatie verbonden wordt aan correcte spreek‐ en presentatietechnieken. De student kan zich zowel mondeling als schriftelijk helder, correct en zorgvuldig uitdrukken (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Toepassen E16. De student licht toe hoe het onderwijs voortbouwt op het voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs (zoals middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs, andere vervolgopleidingen) of de beroepspraktijk. (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Toepassen E9. De student creëert een stimulerend en ondersteunend leerklimaat door vertrouwen te wekken bij de leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat te scheppen en levert hiermee een bijdrage aan de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de leerlinge (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Analyseren E8. Hermeneutiek: de student kan bronnen uit de media, kunst en literatuur analyseren en interpreteren op levensbeschouwelijke thema’s en inzetten in de les. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Analyseren De student voert op een systematische wijze en in dialoog met belanghebbenden een praktijkgericht onderzoek uit waarbij antwoorden verkregen worden op vragen die ontstaan in de eigen onderwijspraktijk en gericht zijn op verbetering van deze praktijk. (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Analyseren E20. De student volgt bij de uitvoering van het onderwijs de ontwikkeling van de leerlingen. De student toetst en analyseert regelmatig en adequaat of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt. Hiervoor ontwerp de student een onderwijsprogramma (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Analyseren De student verbindt theorie en praktijk met elkaar met behulp van vakliteratuur en neemt bewust verschillende perspectieven in. (Kritisch) (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Analyseren De student werkt op een systematische wijze aan praktijkgericht onderzoek waarbij de student uitgaat van een analyse van het vraagstuk, gemotiveerde keuzes voor methoden en technieken maakt bij het verzamelen en analyseren van data en laat zien analyser (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Analyseren De student is in staat effectief informatie te zoeken en te vinden, de betrouwbaarheid van deze informatie te beoordelen, diverse informatiebronnen te benutten, informatie van diverse bronnen met elkaar te vergelijken en de gevonden informatie te synthe (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Analyseren E24. De student verzamelt en analyseert bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie stelt op grond daarvan het onderwijs waar nodig bij. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Analyseren E25. De student begeleidt de leerling gericht met constructieve feedback en stimulerende vragen gericht op zowel het leerproces als het product. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Analyseren E21. De student vergelijkt verschillende methodes (onder meer methodes ten behoeve van beroepsgericht onderwijs) van het vakgebied en stelt criteria op waarmee de leraar methodes kan selecteren voor het onderwijs. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Synthetiseren (oud) E7. De student ontwerpt toetsen die valide, betrouwbaar en transparant zijn en geschikt voor het doel dat de student nastreeft met het onderwijs (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Synthetiseren (oud) E28. De student maakt samen met collega’s op basis van een (godsdienst)pedagogische visie onderbouwde keuzes die passen bij de context van de school en de leerlingenpopulatie. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Synthetiseren (oud) E30. De student is in staat een eigen visie op het vak te beschrijven en zich daarmee te verhouden tot de visie en confessionele/ levensbeschouwelijke identiteit van de school. (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (0%)
Synthetiseren (oud) E36. De student ontwikkelt, mede gebaseerd op de katholieke visie op onderwijs, een visie op de confessionele/ levensbeschouwelijke identiteit van de school. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Synthetiseren (oud) E19. De student brengt in een eigen ontwerp van een leerarrangement een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van de leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Synthetiseren (oud) De student draagt met het onderzoek praktijknabije kennis aan voor zowel zichzelf als de opleidingsschool in de vorm van beroepsproducten die gedeeld worden met school en betrokkenen. (Onderzoekend en innovatief) (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Evalueren E31. De student reflecteert op de vakdidactische aanpak en gebruikt feedback van anderen om de eigen ontwikkeling te analyseren, bij te stellen en zelfsturing te geven. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)
Evalueren E34. De student reflecteert op de pedagogische aanpak en gebruikt feedback van anderen (ook buiten de context van de school) om de eigen ontwikkeling te analyseren en bij te stellen. (Ba DRL: Pedagogisch bekwaam ) (0%)
Evalueren De student reflecteert op ervaringen zodat de student ervan kan leren en erover kan communiceren met anderen. (Kritisch) (Ba DRL: Professionele basis voor goed leraarschap ) (0%)
Evalueren E5. De student kan het handelen verantwoorden vanuit een onderwijskundig referentiekader dat mede is gebaseerd op verschillende leertheorieën, godsdienstpedagogische opvattingen, ontwikkelingspsychologie en vakdidactische benaderingen. (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (0%)