Logo

Studiegids FHTL

19SBVWPG Werken in de praktijk: Geestelijk begeleider

30 ec

voltijd: 144 cu (72 bijeenkomsten)
deeltijd: 114 cu (57 bijeenkomsten)

Ba GB jaar 4

Beroepsvoorbereiding

‘Werken in de praktijk’ beslaat 30 EC van de startbekwaamfase.
In de 840 uur die deze 30 EC uitmaken volg je colleges, krijg je supervisie, loop je stage en maak je beroepsproducten. Alles staat in het teken van het behalen van de competenties die nodig zijn om een professional te worden. De competenties zijn verwerkt in de verschillende beroepsproducten die je gaat maken en komen aan de orde in de stage.

De student is aanwezig bij de werkcolleges en bereidt de diverse opdrachten op tijd voor.
Tijdens de colleges is de student actief betrokken en geeft zhij feedback op het werk van medestudenten.
De student levert de diverse onderdelen in op de daartoe aangegeven inlevermomenten.

Je maakt een portfolio t.b.v. het afsluitend assessment waarin de volgende onderdelen zijn opgenomen:
Beroepsproduct Verandertraject - Advies veranderingstraject
Beroepsproduct Liturgie – verslag performance
Beroepsproduct Werken met groepen – verslag performance
Beroepsproduct Levensbeschouwelijke gespreksvoering – Analyse gespreksverslag
Evaluatie stagebegeleider
Urenverantwoording met terugblik
Beoordeling supervisor

Stage, supervisie, werkcollege en practicum

  • Toepassen: Is in staat om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de rooms-katholieke kerk. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit de rooms-katholieke kerk, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om enerzijds de bronnen van de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarva (20%)
  • Toepassen: Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek. (10%)
  • Toepassen: Is in staat om vanuit de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering. (10%)

Klik hier voor de toetsmatrijs.

Ba GB

  • 1 I a Kennis van de centrale religieuze en levensbeschouwelijke bronnen uit de traditie(s) waar de opleiding zich mee verbindt en kennis van (exegetische) methoden om deze bronnen te ontsluiten
  • 1 I b Kennis van centrale bronnen in andere religies en levensbeschouwingen.
  • 1 I c Kennis van de geschiedenis van de traditie(s) waar de opleiding zich mee verbindt.
  • 1 I d Kennis van centrale geloofsinhouden en praktijken uit de traditie(s) waar de opleiding zich mee verbindt.
  • 1 II a Kennis van filosofische, theologische en godsdienstwetenschappelijke vragen rond het fenomeen religie en zingeving.
  • 1 II b Psychologische en sociologische kennis van mens en samenleving, in het bijzonder met betrekking tot (institutionele en niet-institutionele) religie en zingeving.
  • 1 II c Kennis van filosofische en ethische stromingen, concepten en modellen en esthetische (kunst en cultuur) uitingen van zingeving.
  • 1 III a Kennis van hermeneutische methoden en modellen.
  • 1 III b Kennis van praktisch-theologische methoden en/of methoden van theologische reflectie en/of cultuurhermeneutiek.
  • 1 III c Kennis van methoden voor het bespreken van ethische dilemma’s (bv. moreel beraad).
  • 2 a Kennis van modellen en methoden om veranderingsprocessen bij individuen en groepen te begeleiden.
  • 2 b Kennis van groepsdynamica.
  • 2 c Kennis van didactiek en godsdienstpedagogiek.
  • 2 d Kennis van concepten en modellen van missie en diaconaat.
  • 3 a Kennis van reflectie- en intervisiemethoden.
  • 3 a Kennis van reflectie- en intervisiemethoden.
  • 3 b Kennis van vormen, methoden en praktijken van spirituele vorming met het oog op de eigen spirituele ontwikkeling.
  • 3 c Kennis van studievaardigheden en leerstijlen.
  • 4 a Kennis van basisprincipes van communicatie, in het bijzonder van interculturele en levensbeschouwelijke communicatie en interreligieuze dialoog.
  • 4 b Kennis van rituelen, symbolen en vormen van vieringen.
  • 5 a Kennis van methoden en stromingen van pastorale / geestelijke begeleiding (incl. levensbeschouwelijke coaching).
  • 5 b Kennis van gesprekstechnieken.
  • 5 c Kennis van veelvoorkomende psychische problematieken.
  • 6 a Kennis van organisatorische en beleidsmatige aspecten en structuren van kerkelijke en ideële organisaties (inclusief vrijwilligersmanagement).
  • 6 b Kennis van projectmanagement en/of kwaliteitsmanagement en/of veranderkunde.
  • 6 c Kennis van religieus en levensbeschouwelijk ondernemerschap.
  • 7 a Kennis van de sociale kaart van het werkveld (kerk, burgerlijke gemeente en sociale instanties) en van netwerkbeheer.
  • 7 b Kennis van aspecten van samenwerking en interactie.
  • 8 a Kennis van diverse stijlen van en rollen in leiderschap.
  • 9 a Kennis van methoden en rapportage van praktijkgericht (theologisch) onderzoek.
  • 9 b Kennis van de beroepsidentiteit van de hbo-theoloog.
  • 9 c Kennis van beroepsethiek.
 

Ba GB

  • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen.
  • A.1.a Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze tradi-tie en de actuele situatie.
  • A.1.b Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en le-vensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
  • A.1.c Duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
  • A.1.d Heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
  • A.1.e Reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
  • A.2 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
  • A.2.a Analyseert bestaande situaties samen met betrok-kenen en maakt op basis van de analyse een samen-hangend ontwerp/plan ter verbetering, dan wel een ontwerp/plan hoe present te zijn indien verbetering niet mogelijk lijkt.
  • A.2.b Stelt evaluatiecriteria op en reflecteert regelmatig op product en proces van uitvoering, daarbij gebruik makend van de feedback van hen die begeleid wor-den en andere betrokkenen.
  • A.2.c Appelleert aan het zelf oplossend vermogen van hen die begeleid worden en hun netwerk en maakt mensen bewust van hun individuele situatie en hun rol in geloofsgemeenschappen of andere sociale verbanden.
  • A.2.d Faciliteert een leeromgeving of geeft leeractivitei-ten vorm ten behoeve van leer- en vormingspro-cessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
  • A.2.e Verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of le-vensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
  • A.2.f Gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
  • A.3 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit te reflecteren op attitude, identiteit en handelen in beroepssituaties en om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen.
  • A.3.a

    Toont de volgende kernkwaliteiten:

    • levensbeschouwelijk sensitief
    • integer en authentiek
    • enthousiast en overtuigend
    • communicatief en samenwerkend
    • verantwoordelijk
    • reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames
  • A.3.b Is in staat kritisch te reflecteren op religieuze tra-dities of stromingen, bijbehorende geschriften, gebruiken en symbolen en weet die op waarde te schatten.
  • A.3.c Geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn profes-sionele identiteit.
  • A.3.d Reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling.
  • A.3.e Toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
  • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
  • A.4.a Maakt gebruik van symbolen, beelden en voorbeelden om levensbeschouwelijke onderwerpen ter sprake te brengen en uit te leggen.
  • A.4.b Geeft, waar van toepassing, op een in de context passende wijze, vorm aan een viering of ritueel sa-men met anderen, daarbij ritueel stijlvol handelend. Luistert naar signalen van individuen, groepen en (geloofs)gemeenschappen, probeert deze te ver-staan en vraagt waar nodig om verduidelijking.
  • A.4.c Is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
  • A.4.d Schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
  • A.4.e Formuleert passende gebeden en rituele/liturgische teksten.
  • A.4.f Kiest de juiste communicatie passend bij de doel-groep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
  • A.5 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
  • A.5.a Hanteert het onderscheid tussen een gewoon ge-sprek, hulpverlening en geestelijke begeleiding/pastoraat.
  • A.5.b Verleent pastorale zorg/geestelijke begeleiding van-uit het zicht op wat nodig is en refereert aan religieu-ze en/of levensbeschouwelijke bronnen en traditie.
  • A.5.c Hanteert verschillende pastorale gesprekstechnieken gericht op geestelijke begeleiding en stelt adequate diagnoses.
  • A.5.d Herkent en hanteert grenzen binnen het eigen pro-fessionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwij-zen naar derden.
  • A.5.e Heeft inzicht in menselijk gedrag, psychologische en geestelijke processen met specifieke aandacht voor de verhouding tot het transcendente.
  • B.1 Het vermogen om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit een (kerkelijke) organisatie, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
  • B.1.a Levert een proactieve en ondernemende bijdrage aan de structurele aspecten van de organisatie, met aandacht en zorg voor personeel, betrokken vrijwilli-gers, financiën en voorzieningen.
  • B.1.b Schept in een minder geïnstitutionaliseerde of snel veranderende omgeving zelf waar nodig kaders voor de organisatie van het eigen werk (financiën, voorzieningen, relatiebeheer).
  • B.1.c Draagt constructief en loyaal-kritisch bij aan het formuleren en behalen van gemeenschappelijke doelen in organisaties en samenwerkingsverbanden en stimuleert hierbij (voor zover van toepassing) de identiteit van de organisatie.
  • B.1.d Levert een actieve bijdrage aan (vernieuwings-)pro-jecten door het doen van praktijkgericht onderzoek naar aanleiding van gesignaleerde vragen of knel-punten, door het vertalen van de resultaten daarvan in praktische aanbevelingen, en door het (initiëren van) de implementatie daarvan.
  • B.1.e Werkt en rapporteert volgens het kwaliteitsbor-gingsysteem van de organisatie en/of is in een min-der geïnstitutionaliseerde context in staat het eigen handelen aan relevante partijen (subsidieverstrek-kers, opdrachtgevers, ‘klanten’) te verantwoorden en te legitimeren.
  • B.2 Het vermogen om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
  • B.2.a Bevordert brede samenwerking, zowel met professionals als met vrijwilligers, en werkt in teamverband.
  • B.2.b Motiveert tot samenwerking met collega’s en vrijwilligers en met andere organisaties en instellingen.
  • B.2.c Organiseert activiteiten met verschillende doelgroepen, brengt diverse opvattingen met elkaar in gesprek en begeleidt interreligieuze ontmoetingen.
  • B.2.d Legt relaties met relevante organisaties, instellingen, en netwerken en bouwt deze uit, onderhoudt deze en behartigt daarbij de belangen van de te vertegenwoordigen organisatie of gemeenschap.
  • B.3 Het vermogen om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
  • B.3.a Draagt verantwoordelijkheid voor en geeft transparant, integer en dienstbaar leiding aan geloofs-en zingevingsprocessen bij individuen en groepen.
  • B.3.b Is zich bewust van de voorbeeldfunctie die een leider heeft en handelt hier ook naar.
  • B.4 Het vermogen om een bijdrage te leveren aan de ontwikke-ling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruik-making van praktijkgericht onderzoek.
  • B.4.a Heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
  • B.4.b Onderzoekt de eigen beroepspraktijk en/of de voorwaarden voor de eigen beroepsuitoefening en vertaalt de bevindingen in consequenties voor het eigen handelen en dat van andere betrokkenen in deze beroepspraktijk.
  • B.4.c Onderzoekt (veranderingen in) de context van de praktijk waarin hij zijn beroep uitoefent (organisatie, geloofsgemeenschap, wijk), en vertaalt de resultaten in praktische aanbevelingen voor verbetering van die praktijk.
  • B.4.d Draagt bij aan verspreiding van religieus-agogische kennis onder collega’s, gemeenten, parochies, instellingen en andere organisaties.

Je kunt aan jaar 4 beginnen als je jaar 3 hebt afgerond aan het begin van dit studiejaar. Als je nog vakken hebt openstaan, moet in elk geval de stage zijn afgerond en moet je toestemming hebben van de examencommissie.
Je loopt vanaf 1 oktober stage (of hebt een andere relevante beroepspraktijk)

Opdrachten, reflectieverslagen, presentaties, leerverslagen

Zie hiervoor de studiewijzers.

Dit verschilt per studieonderdeel. Zie de studiewijzer.

Alle onderdelen en formatieve toetsen moeten met een voldoende zijn beoordeeld.

  • Projectverslag
  • Onderzoeksverslag
  • Stageverslag
  • Toepassen

cijfer 1-10

Per onderdeel 10 werkdagen na de deadline.

Verplichte literatuur

  • Berkvens-Stevelinck, C. (2007), Vrije rituelen. Vorm geven aan het leven. Zoetermeer: Meinema (aanschaffen)
  • Govaart A (2009), Het woord laten spreken. Berne Heeswijk (aanschaffen)
  • Meulen van der, H red. (2008), Als een leerling leren preken. Boekencentrum (aanschaffen)

Aanbevolen literatuur

 

 

Toetsmatrijs 2025 - 2026

beoord. niveauleerdoeltoetsitemweging
Toepassen Is in staat om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties. (Ba GB: Pastoraal competent/ competent in geestelijke begeleiding ) (10%)
Toepassen Is in staat om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel. (Ba GB: Communicatief competent ) (10%)
Toepassen Is in staat om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit. (Ba GB: Competent in leidinggeven ) (10%)
Toepassen Is in staat om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de rooms-katholieke kerk. (Ba GB: Competent in samenwerken ) (10%)
Toepassen Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek. (Ba GB: Competent in professionaliseren ) (10%)
Toepassen Is in staat om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit de rooms-katholieke kerk, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken. (Ba GB: Competent in organiseren en innoveren ) (10%)
Toepassen Is in staat om enerzijds de bronnen van de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarva (Ba GB: Hermeneutisch competent ) (20%)
Toepassen Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek. (Ba GB: Competent in professionaliseren ) (10%)
Toepassen Is in staat om vanuit de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering. (Ba GB: Agogisch competent ) (10%)