Logo

Studiegids FHTL

19HBVO2D Oefenen in de praktijk II Docent religie levensbeschouwing


Berkien, Peter

15 ec

voltijd: 84 cu (42 bijeenkomsten)
deeltijd: 54 cu (27 bijeenkomsten)

Ba DRL jaar 3
Ko Drl jaar 1

Pastorale en liturgische theologie

Oefenen in de Praktijk (OidP) heeft ten doel om de hoofdfasestudenten ervaring te laten opdoen in de praktijk en producten te laten maken die in deze praktijk ingezet kunnen worden.  Met deze producten toont de student de eindkwalificaties aan van de hoofdfase.

Oefenen in de praktijk beslaat 30EC en loopt door twee studiejaren heen, in deze hele periode loop je stage en verzamel je producten voor je portfolio waarmee je aan het einde kan aantonen dat je aan alle eindkwalificaties van de hoofdfase voldoet. In dit proces word je begeleid door een studiecoach die samen met jou de voortgang in de gaten houdt. Je wordt uiteindelijk beoordeeld op je portfolio in een criterium gericht interview.

Wat verwachten we van jou?

Een actieve bijdrage aan de colleges, het maken van de opdrachten en inbreng van casuïstiek uit je stagepraktijk.

We werken aan het maken van de volgende beroepsproducten:
In jaar 3

Training

Ba DRL

  • 3.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van de diverse gespreksvormen.
  • 8.1 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak in de culturele, historische en maatschappelijke context.
    Toepassing van levensbeschouwelijke, religieuze of religiewetenschappelijke optiek op basis van informatie en argumenten.
  • 8.2 Kennis van, inzicht in, en toepassing van verschillende (vak-) didactische concepten en methodes voor het vak.
    Opnemen toetsing en beoordeling.
  • 8.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van o.a. multimediale werkvormen (ICT, social media); activerende groepswerkvormen; beelddidactische werkvormen; levensbeschouwelijke gespreksvormen.
  • 8.4 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse exegetische methoden en herkennen van manieren van tekstlezen.
  • 8.5 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse methoden om te werken met kunstzinnige uitingen.
  • 8.6 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak G/L in zijn context van school en cultuur. Toepassing van daaruit door een bijdrage te kunnen leveren aan de school(organisatie).

Ko Drl

  • 3.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van de diverse gespreksvormen.
  • 8.1 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak in de culturele, historische en maatschappelijke context.
    Toepassing van levensbeschouwelijke, religieuze of religiewetenschappelijke optiek op basis van informatie en argumenten.
  • 8.2 Kennis van, inzicht in, en toepassing van verschillende (vak-) didactische concepten en methodes voor het vak.
    Opnemen toetsing en beoordeling.
  • 8.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van o.a. multimediale werkvormen (ICT, social media); activerende groepswerkvormen; beelddidactische werkvormen; levensbeschouwelijke gespreksvormen.
  • 8.4 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse exegetische methoden en herkennen van manieren van tekstlezen.
  • 8.5 Kennis van, inzicht in en toepassen van diverse methoden om te werken met kunstzinnige uitingen.
  • 8.6 Kennis van en inzicht in de plaats van het vak G/L in zijn context van school en cultuur. Toepassing van daaruit door een bijdrage te kunnen leveren aan de school(organisatie).
 

Ba DRL

  • 3.1 Een bekwame leraar is een leraar die heeft aangetoond dat hij met zijn vakinhoudelijke, vakdidactische en
    pedagogische kennis en kunde zijn werk als leraar en als deelnemer aan de professionele onderwijsgemeenschap die hij samen met zijn collegas vormt, kan verrichten op een professioneel doelmatige en verantwoorde wijze.j
  • 3.1.1 Zijn eigen onderwijs vormgeven, afstemmen op het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, uitvoeren,
    evalueren en bijstellen
  • 3.1.2 Samenwerken met collegas in - en waar relevant ook buiten - de eigen instelling en zijn professionele
    handelen waar nodig afstemmen met hen.
  • 3.1.3 Bijdragen leveren aan onderwijskundige ontwikkelingen door het raadplegen van bronnen, het inbrengen
    van informatie en kritische bijdragen aan oordeelsvorming en het oplossen van praktijkproblemen.
  • 3.1.5 Zijn professionele handelen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.1.6 Zelfstandig vormgeven aan zijn professionele ontwikkeling.
  • 3.2 Vakinhoudelijk bekwaam wil zeggen dat de leraar de inhoud van zijn onderwijs beheerst. Hij ’staat boven’ de
    leerstof en kan die zo samenstellen, kiezen en/of bewerken dat zijn leerlingen die kunnen leren. De leraar kan
    vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap
    en bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen. Hij houdt zijn vakkennis en -kunde actueel. Om
    vakinhoudelijk bekwaam te zijn moet de leraar ten minste het volgende in algemene termen weten en kunnen.
  • 3.2.1 De leraar beheerst de leerstof qua kennis en vaardigheden waarvoor hij verantwoordelijk is en kent
    de theoretische en praktische achtergronden van zijn vak. Hij kan de leerstof op een begrijpelijke en
    aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden. In de
    context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de beheersing van de leerstof ook gericht is op
    de beroepspraktijk en de verbinding van de theorie aan de (beroeps-)praktijk.
  • 3.2.2 De leraar kent de relatie van de leerstof voor zijn vak met de kerndoelen, eindtermen en
    eindexamenprogrammas. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat hij actuele
    kennis heeft van beroepen in de branche(-s) waarvoor hij opleidt en verband kan leggen tussen de leerstof
    en de kwalificatiedossiers van die branche(-s).
  • 3.2.3 De leraar overziet de opbouw van het curriculum van zijn vak, de plaats van zijn vak in het curriculum
    van de opleiding en de doorlopende leerlijnen. Hij weet hoe zijn onderwijs voortbouwt op het
    voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs (zoals middelbaar beroepsonderwijs, hoger
    beroepsonderwijs, andere vervolgopleidingen) of de beroepspraktijk. De leraar kent de samenhang tussen
    de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogrammas. Hij kan vanuit zijn inhoudelijke
    expertise in samenwerking met zijn collegas en de omgeving van de school bijdragen aan de breedte,
    de samenhang en de actualiteit van het curriculum van zijn school.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit ook in dat hij in staat is tot het onderhouden
    en benutten van contacten met het beroepenveld waarvoor hij opleidt.
  • 3.2.4 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van het curriculum waarin
    hij werkt, namelijk één of meer van de verschillende leerwegen van het vmbo, het praktijkonderwijs, de
    onderbouw havo/vwo of de verschillende typen en niveaus van de educatie en het beroepsonderwijs.
  • 3.2.5 De leraar weet dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en
    leren. Hij kan zijn onderwijs afstemmen op die verschillen tussen leerlingen. De leraar kan zijn leerlingen
    duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor beroepspraktijk en vervolgonderwijs. Hij kan
    daarbij vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met
    wetenschap en zo bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen.
  • 3.3 Vakdidactisch bekwaam wil zeggen dat de leraar de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming
    met zijn collegas en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school. Hij weet die vakinhoud te vertalen
    in leerplannen of leertrajecten. Hij doet dit op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin de
    volgende handelingselementen herkenbaar zijn.
  • 3.3.1 Hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen,
    de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen.
  • 3.3.2 Bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen; hij toetst en analyseert
    regelmatig en adequaat of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt; op basis van zijn analyse
    stelt hij zo nodig zijn onderwijs didactisch bij.
  • 3.3.3 Zijn onderwijs gaat met de tijd mee.
  • 3.3.A Vakdidactisch bekwaam, kennis
  • 3.3.A2 De leraar kent verschillende methodes15 (onder meer methodes ten behoeve van beroepsgericht onderwijs)
    en criteria waarmee hij de bruikbaarheid van de methodes voor zijn leerlingen kan vaststellen. Hij kent
    verschillende manieren om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen
    leerlingen. Hij kan de methode aanvullen en verrijken.
  • 3.3.A3 De leraar weet hoe een leerplan in elkaar zit en kent de criteria waaraan een goed leerplan moet voldoen
    (onder meer in het kader van beroepsgericht onderwijs).
  • 3.3.A4 De leraar heeft kennis van digitale leermaterialen en -middelen. Hij kent de technische en pedagogischdidactische mogelijkheden en beperkingen daarvan.
  • 3.3.A5 De leraar kent verschillende didactische leer- en werkvormen (onder meer ten behoeve van het
    beroepsgerichte onderwijs) en de psychologische achtergrond daarvan. Hij kent criteria waarmee de
    bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld.
  • 3.3.A6 De leraar kent verschillende doelen van evalueren en toetsen. Hij kent verschillende, bij deze doelen
    passende vormen van observeren, toetsen en examineren. Hij kan toetsen16 ontwikkelen, toetsresultaten
    beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens beoordelen. Hij kan
    bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn
    onderwijs waar nodig bijstellen.
  • 3.3.A7 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type
    onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is. In de context van het beroepsgerichte
    onderwijs houdt dit in dat hij zich verdiept heeft in didactiek ten behoeve van beroepsgericht onderwijs,
    de vormgeving en begeleiding van het leren op de werkplek en op de samenwerking met het beroepenveld
    en met praktijkbegeleiders bij het begeleiden van dit leren.
  • 3.3.B Vakdidactisch bekwaam, kunde
  • 3.3.B.a1 Doelen stellen, leerstof selecteren en ordenen.
  • 3.3.B.a2 Samenhangende lessen17 uitwerken met passende werkvormen, materialen en media, afgestemd op het
    niveau en de kenmerken van zijn leerlingen. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in
    dat hij onderwijs kan vormgeven gericht op de beroepspraktijk.
  • 3.3.B.a3 Passende en betrouwbare toetsen kiezen, maken of samenstellen.
  • 3.3.B.b De leraar kan onderwijs uitvoeren en het leren organiseren:
  • 3.3.B.b1 Een adequaat klassenmanagement realiseren en leiding en begeleiding geven aan groepen leerlingen
    buiten de context van klas of les.
  • 3.3.B.b2 Aan leerlingen de verwachtingen en leerdoelen duidelijk maken en leerlingen motiveren om deze te halen.
  • 3.3.B.b3 De leerstof aan zijn leerlingen begrijpelijk en aansprekend uitleggen, voordoen hoe ermee gewerkt moet
    worden en daarbij inspelen op de taalbeheersing en taalontwikkeling van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b4 Doelmatig gebruik maken van beschikbare digitale leermaterialen en middelen.
  • 3.3.B.b5 De leerlingen met gerichte activiteiten de leerstof laten verwerken, daarbij variatie aanbrengen en bij
    instructie en verwerking en een gerichte inzet van loopbaan oriëntatie en begeleiding, differentiëren
    naar niveau en kenmerken van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b6 De leerling begeleiden bij die verwerking, stimulerende vragen stellen en opbouwende gerichte
    feedback geven op taak en aanpak.
  • 3.3.B.b7 Samenwerking, zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid stimuleren.
  • 3.3.B.c De leraar kan onderwijs evalueren en ontwikkelen:
  • 3.3.B.c1 De voortgang volgen, de resultaten toetsen, analyseren en beoordelen.
  • 3.3.B.c2 Feedback vragen van leerlingen en deze feedback tezamen met zijn eigen analyse van de voortgang
    gebruiken voor een gericht vervolg van het onderwijsleerproces.
  • 3.3.b.c3 Leerproblemen signaleren en indien nodig met hulp van collegas oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.3.B.c4 Advies vragen aan collegas of andere deskundigen; hij weet wanneer en hoe hij advies kan geven. (Hierbij
    kan de leraar gebruik maken van methodieken voor professionele consultatie en leren zoals supervisie en
    intervisie.)
  • 3.3.B.c5 Zijn didactische aanpak en handelen evalueren, analyseren, bijstellen en ontwikkelen.
  • 3.3.B.c6 Bijdragen aan pedagogisch-didactische evaluaties in zijn school en deze in afstemming met zijn collegas
    gebruiken bij de onderwijsontwikkeling in zijn school.
  • 3.3.B.c7 De inhoud en de didactische aanpak van zijn onderwijs uitleggen en verantwoorden.
  • 3.3.B.c8 Kritisch reflecteren op zijn eigen pedagogisch-didactisch handelen.
  • 3.4 Pedagogische bekwaamheid wil zeggen dat de leraar op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze en
    in samenwerking met zijn collegas een veilig, ondersteunend en stimulerend leerklimaat voor zijn leerlingen
    kan realiseren. Hij volgt de ontwikkeling van zijn leerlingen in hun leren en gedrag en stemt daarop zijn
    handelen af. Hij draagt bij aan de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen. Hij kan zijn
    pedagogisch handelen afstemmen met zijn collegas en met anderen die voor de ontwikkeling van de leerling
    verantwoordelijk zijn. Deze uitspraak heeft een brede betekenis en impliceert ook de bijdrage van de leraar aan
    burgerschapsvorming en de ontwikkeling van de leerling tot een zelfstandige en verantwoordelijke volwassene.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij zijn
    orintatie op beroepen en het ontwikkelen van beroepsidentiteit. Ook in pedagogische zin blijft zijn onderwijs
    van deze tijd.
  • 3.4.A Pedagogisch bekwaam, kennis
  • 3.4.A1 Hij heeft kennis van ontwikkelingstheorieen en de gedragswetenschappelijke theorie die voor
    zijn onderwijspraktijk relevant zijn (bijvoorbeeld elementen uit de sociale psychologie en de
    communicatietheorie) en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit onder andere in dat hij zich verdiept in de
    theoretische en praktische aspecten van het leren functioneren in een beroep en de ontwikkeling van
    beroepsidentiteit.
  • 3.4.A2 Hij heeft kennis van agogische en pedagogische theorieen en methodieken, die voor zijn onderwijspraktijk
    relevant zijn en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
  • 3.4.A3 Hij heeft kennis van veelvoorkomende ontwikkelings- en gedragsproblemen en -stoornissen.
  • 3.4.A4 Hij weet hoe hij zicht kan krijgen op de leefwereld van zijn leerlingen en hun sociaal-culturele achtergrond.
    Hij weet hoe hij daarmee rekening kan houden in zijn onderwijs.
  • 3.4.A5 Hij heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de pedagogiek van het type onderwijs en het deel van het
    curriculum waarin hij werkzaam is.
  • 3.4.B Pedagogisch bekwaam, kunde
  • 3.4.B1 Hij kan groepsprocessen sturen en begeleiden.
  • 3.4.B10 Hij is in staat tot kritische reflectie op zichzelf in de pedagogische relatie.
  • 3.4.B2 Hij kan vertrouwen wekken bij zijn leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat scheppen.
  • 3.4.B3 Hij kan ruimte scheppen voor leren, inclusief het maken van vergissingen en fouten.
  • 3.4.B4 Hij kan verwachtingen duidelijk maken en eisen stellen aan leerlingen.
  • 3.4.B5 Hij kan het zelfvertrouwen van leerlingen stimuleren, hen aanmoedigen en motiveren (onder meer in het
    kader van loopbaanorintatie en begeleiding).
  • 3.4.B6 Hij heeft oog voor de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen en doet daar recht aan.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij
    het ontwikkelen van beroepsidentiteit.
  • 3.4.B7 Hij kan ontwikkelings-, gedragsproblemen en -stoornissen signaleren en indien nodig met hulp van collegas
    oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.4.B8 Hij kan zijn onderwijs en zijn pedagogische omgang met zijn leerlingen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.4.B9 Hij kan zijn pedagogisch handelen afstemmen met anderen die vanuit hun professionele
    verantwoordelijkheid bij de leerling betrokken zijn, zoals begeleiders van het leren op de werkplek en
    (indien de leerling nog niet volwassen is) ouders.

Ko Drl

  • 3.1 Een bekwame leraar is een leraar die heeft aangetoond dat hij met zijn vakinhoudelijke, vakdidactische en
    pedagogische kennis en kunde zijn werk als leraar en als deelnemer aan de professionele onderwijsgemeenschap die hij samen met zijn collegas vormt, kan verrichten op een professioneel doelmatige en verantwoorde wijze.j
  • 3.1.1 Zijn eigen onderwijs vormgeven, afstemmen op het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, uitvoeren,
    evalueren en bijstellen
  • 3.1.2 Samenwerken met collegas in - en waar relevant ook buiten - de eigen instelling en zijn professionele
    handelen waar nodig afstemmen met hen.
  • 3.1.3 Bijdragen leveren aan onderwijskundige ontwikkelingen door het raadplegen van bronnen, het inbrengen
    van informatie en kritische bijdragen aan oordeelsvorming en het oplossen van praktijkproblemen.
  • 3.1.5 Zijn professionele handelen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.1.6 Zelfstandig vormgeven aan zijn professionele ontwikkeling.
  • 3.2 Vakinhoudelijk bekwaam wil zeggen dat de leraar de inhoud van zijn onderwijs beheerst. Hij ’staat boven’ de
    leerstof en kan die zo samenstellen, kiezen en/of bewerken dat zijn leerlingen die kunnen leren. De leraar kan
    vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap
    en bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen. Hij houdt zijn vakkennis en -kunde actueel. Om
    vakinhoudelijk bekwaam te zijn moet de leraar ten minste het volgende in algemene termen weten en kunnen.
  • 3.2.1 De leraar beheerst de leerstof qua kennis en vaardigheden waarvoor hij verantwoordelijk is en kent
    de theoretische en praktische achtergronden van zijn vak. Hij kan de leerstof op een begrijpelijke en
    aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden. In de
    context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de beheersing van de leerstof ook gericht is op
    de beroepspraktijk en de verbinding van de theorie aan de (beroeps-)praktijk.
  • 3.2.2 De leraar kent de relatie van de leerstof voor zijn vak met de kerndoelen, eindtermen en
    eindexamenprogrammas. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat hij actuele
    kennis heeft van beroepen in de branche(-s) waarvoor hij opleidt en verband kan leggen tussen de leerstof
    en de kwalificatiedossiers van die branche(-s).
  • 3.2.3 De leraar overziet de opbouw van het curriculum van zijn vak, de plaats van zijn vak in het curriculum
    van de opleiding en de doorlopende leerlijnen. Hij weet hoe zijn onderwijs voortbouwt op het
    voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs (zoals middelbaar beroepsonderwijs, hoger
    beroepsonderwijs, andere vervolgopleidingen) of de beroepspraktijk. De leraar kent de samenhang tussen
    de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogrammas. Hij kan vanuit zijn inhoudelijke
    expertise in samenwerking met zijn collegas en de omgeving van de school bijdragen aan de breedte,
    de samenhang en de actualiteit van het curriculum van zijn school.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit ook in dat hij in staat is tot het onderhouden
    en benutten van contacten met het beroepenveld waarvoor hij opleidt.
  • 3.2.4 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van het curriculum waarin
    hij werkt, namelijk één of meer van de verschillende leerwegen van het vmbo, het praktijkonderwijs, de
    onderbouw havo/vwo of de verschillende typen en niveaus van de educatie en het beroepsonderwijs.
  • 3.2.5 De leraar weet dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en
    leren. Hij kan zijn onderwijs afstemmen op die verschillen tussen leerlingen. De leraar kan zijn leerlingen
    duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor beroepspraktijk en vervolgonderwijs. Hij kan
    daarbij vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met
    wetenschap en zo bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen.
  • 3.3 Vakdidactisch bekwaam wil zeggen dat de leraar de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming
    met zijn collegas en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school. Hij weet die vakinhoud te vertalen
    in leerplannen of leertrajecten. Hij doet dit op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin de
    volgende handelingselementen herkenbaar zijn.
  • 3.3.1 Hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen,
    de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen.
  • 3.3.2 Bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen; hij toetst en analyseert
    regelmatig en adequaat of de leerdoelen gerealiseerd worden en hoe dat gebeurt; op basis van zijn analyse
    stelt hij zo nodig zijn onderwijs didactisch bij.
  • 3.3.3 Zijn onderwijs gaat met de tijd mee.
  • 3.3.A Vakdidactisch bekwaam, kennis
  • 3.3.A2 De leraar kent verschillende methodes15 (onder meer methodes ten behoeve van beroepsgericht onderwijs)
    en criteria waarmee hij de bruikbaarheid van de methodes voor zijn leerlingen kan vaststellen. Hij kent
    verschillende manieren om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen
    leerlingen. Hij kan de methode aanvullen en verrijken.
  • 3.3.A3 De leraar weet hoe een leerplan in elkaar zit en kent de criteria waaraan een goed leerplan moet voldoen
    (onder meer in het kader van beroepsgericht onderwijs).
  • 3.3.A4 De leraar heeft kennis van digitale leermaterialen en -middelen. Hij kent de technische en pedagogischdidactische mogelijkheden en beperkingen daarvan.
  • 3.3.A5 De leraar kent verschillende didactische leer- en werkvormen (onder meer ten behoeve van het
    beroepsgerichte onderwijs) en de psychologische achtergrond daarvan. Hij kent criteria waarmee de
    bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld.
  • 3.3.A6 De leraar kent verschillende doelen van evalueren en toetsen. Hij kent verschillende, bij deze doelen
    passende vormen van observeren, toetsen en examineren. Hij kan toetsen16 ontwikkelen, toetsresultaten
    beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens beoordelen. Hij kan
    bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn
    onderwijs waar nodig bijstellen.
  • 3.3.A7 De leraar heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type
    onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is. In de context van het beroepsgerichte
    onderwijs houdt dit in dat hij zich verdiept heeft in didactiek ten behoeve van beroepsgericht onderwijs,
    de vormgeving en begeleiding van het leren op de werkplek en op de samenwerking met het beroepenveld
    en met praktijkbegeleiders bij het begeleiden van dit leren.
  • 3.3.B Vakdidactisch bekwaam, kunde
  • 3.3.B.a1 Doelen stellen, leerstof selecteren en ordenen.
  • 3.3.B.a2 Samenhangende lessen17 uitwerken met passende werkvormen, materialen en media, afgestemd op het
    niveau en de kenmerken van zijn leerlingen. In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in
    dat hij onderwijs kan vormgeven gericht op de beroepspraktijk.
  • 3.3.B.a3 Passende en betrouwbare toetsen kiezen, maken of samenstellen.
  • 3.3.B.b De leraar kan onderwijs uitvoeren en het leren organiseren:
  • 3.3.B.b1 Een adequaat klassenmanagement realiseren en leiding en begeleiding geven aan groepen leerlingen
    buiten de context van klas of les.
  • 3.3.B.b2 Aan leerlingen de verwachtingen en leerdoelen duidelijk maken en leerlingen motiveren om deze te halen.
  • 3.3.B.b3 De leerstof aan zijn leerlingen begrijpelijk en aansprekend uitleggen, voordoen hoe ermee gewerkt moet
    worden en daarbij inspelen op de taalbeheersing en taalontwikkeling van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b4 Doelmatig gebruik maken van beschikbare digitale leermaterialen en middelen.
  • 3.3.B.b5 De leerlingen met gerichte activiteiten de leerstof laten verwerken, daarbij variatie aanbrengen en bij
    instructie en verwerking en een gerichte inzet van loopbaan oriëntatie en begeleiding, differentiëren
    naar niveau en kenmerken van zijn leerlingen.
  • 3.3.B.b6 De leerling begeleiden bij die verwerking, stimulerende vragen stellen en opbouwende gerichte
    feedback geven op taak en aanpak.
  • 3.3.B.b7 Samenwerking, zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid stimuleren.
  • 3.3.B.c De leraar kan onderwijs evalueren en ontwikkelen:
  • 3.3.B.c1 De voortgang volgen, de resultaten toetsen, analyseren en beoordelen.
  • 3.3.B.c2 Feedback vragen van leerlingen en deze feedback tezamen met zijn eigen analyse van de voortgang
    gebruiken voor een gericht vervolg van het onderwijsleerproces.
  • 3.3.b.c3 Leerproblemen signaleren en indien nodig met hulp van collegas oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.3.B.c4 Advies vragen aan collegas of andere deskundigen; hij weet wanneer en hoe hij advies kan geven. (Hierbij
    kan de leraar gebruik maken van methodieken voor professionele consultatie en leren zoals supervisie en
    intervisie.)
  • 3.3.B.c5 Zijn didactische aanpak en handelen evalueren, analyseren, bijstellen en ontwikkelen.
  • 3.3.B.c6 Bijdragen aan pedagogisch-didactische evaluaties in zijn school en deze in afstemming met zijn collegas
    gebruiken bij de onderwijsontwikkeling in zijn school.
  • 3.3.B.c7 De inhoud en de didactische aanpak van zijn onderwijs uitleggen en verantwoorden.
  • 3.3.B.c8 Kritisch reflecteren op zijn eigen pedagogisch-didactisch handelen.
  • 3.4 Pedagogische bekwaamheid wil zeggen dat de leraar op een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze en
    in samenwerking met zijn collegas een veilig, ondersteunend en stimulerend leerklimaat voor zijn leerlingen
    kan realiseren. Hij volgt de ontwikkeling van zijn leerlingen in hun leren en gedrag en stemt daarop zijn
    handelen af. Hij draagt bij aan de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen. Hij kan zijn
    pedagogisch handelen afstemmen met zijn collegas en met anderen die voor de ontwikkeling van de leerling
    verantwoordelijk zijn. Deze uitspraak heeft een brede betekenis en impliceert ook de bijdrage van de leraar aan
    burgerschapsvorming en de ontwikkeling van de leerling tot een zelfstandige en verantwoordelijke volwassene.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij zijn
    orintatie op beroepen en het ontwikkelen van beroepsidentiteit. Ook in pedagogische zin blijft zijn onderwijs
    van deze tijd.
  • 3.4.A Pedagogisch bekwaam, kennis
  • 3.4.A1 Hij heeft kennis van ontwikkelingstheorieen en de gedragswetenschappelijke theorie die voor
    zijn onderwijspraktijk relevant zijn (bijvoorbeeld elementen uit de sociale psychologie en de
    communicatietheorie) en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit onder andere in dat hij zich verdiept in de
    theoretische en praktische aspecten van het leren functioneren in een beroep en de ontwikkeling van
    beroepsidentiteit.
  • 3.4.A2 Hij heeft kennis van agogische en pedagogische theorieen en methodieken, die voor zijn onderwijspraktijk
    relevant zijn en kan die betrekken op zijn pedagogisch handelen.
  • 3.4.A3 Hij heeft kennis van veelvoorkomende ontwikkelings- en gedragsproblemen en -stoornissen.
  • 3.4.A4 Hij weet hoe hij zicht kan krijgen op de leefwereld van zijn leerlingen en hun sociaal-culturele achtergrond.
    Hij weet hoe hij daarmee rekening kan houden in zijn onderwijs.
  • 3.4.A5 Hij heeft zich theoretisch en praktisch verdiept in de pedagogiek van het type onderwijs en het deel van het
    curriculum waarin hij werkzaam is.
  • 3.4.B Pedagogisch bekwaam, kunde
  • 3.4.B1 Hij kan groepsprocessen sturen en begeleiden.
  • 3.4.B10 Hij is in staat tot kritische reflectie op zichzelf in de pedagogische relatie.
  • 3.4.B2 Hij kan vertrouwen wekken bij zijn leerlingen en een veilig pedagogisch klimaat scheppen.
  • 3.4.B3 Hij kan ruimte scheppen voor leren, inclusief het maken van vergissingen en fouten.
  • 3.4.B4 Hij kan verwachtingen duidelijk maken en eisen stellen aan leerlingen.
  • 3.4.B5 Hij kan het zelfvertrouwen van leerlingen stimuleren, hen aanmoedigen en motiveren (onder meer in het
    kader van loopbaanorintatie en begeleiding).
  • 3.4.B6 Hij heeft oog voor de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van zijn leerlingen en doet daar recht aan.
    In de context van het beroepsgerichte onderwijs gaat het hier ook om de begeleiding van de leerling bij
    het ontwikkelen van beroepsidentiteit.
  • 3.4.B7 Hij kan ontwikkelings-, gedragsproblemen en -stoornissen signaleren en indien nodig met hulp van collegas
    oplossingen zoeken of doorverwijzen.
  • 3.4.B8 Hij kan zijn onderwijs en zijn pedagogische omgang met zijn leerlingen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.4.B9 Hij kan zijn pedagogisch handelen afstemmen met anderen die vanuit hun professionele
    verantwoordelijkheid bij de leerling betrokken zijn, zoals begeleiders van het leren op de werkplek en
    (indien de leerling nog niet volwassen is) ouders.

KMDP uit de propedeuse moet zijn behaald

Opdrachten

Beroepsproducten met verantwoording (adhv STARRT)

Tijdens de colleges (meerdere keren)

  • Portfolioassessment
  • Onthouden
  • Begrijpen
  • Toepassen
  • Analyseren
  • Synthetiseren (oud)
  • Evalueren

woordbeoordeling

15 dagen na inleveren

Verplichte literatuur

  • Bakker-de Jong, M. , I. Mijland (2018), Handboek voor elke mentor. Esch: Quirijn, 16e (aanschaffen)
  • Geerts, W. en Van Kralingen, R. (2020), Handboek voor leraren. Bussum: Coutinho, 3e druk (aanschaffen)
  • Wal, J. van der, J. de Wilde (2021), Identiteitsontwikkeling en leerlingbegeleiding. Bussum: Coutinho, 6e druk (aanschaffen)

Aanbevolen literatuur