Logo

Studiegids FHTL

19HRWORE Oosterse religies

5 ec

voltijd: 32 cu (16 bijeenkomsten)
deeltijd: 20 cu (10 bijeenkomsten)

Ba DRL jaar 3

Religiewetenschappen

In deze collegereeks gaan we dieper in op de oosterse religies. We staan uitgebreid stil bij het hindoeïsme en het boeddhisme, maar ook bij de kleinere religies uit het oosten, zoals het taoïsme, confucianisme, sikhisme en jaïnisme. We kijken hoe we deze ideeën het klaslokaal in kunnen krijgen. Tijdens deze collegereeks maak jij je eigen werkboek voor leerlingen over oosterse religies, waarbij je een vertaalslag maakt van literatuur naar stof op leerlingniveau.

Van de student wordt een actieve bijdrage verwacht tijdens de colleges. De opgegeven stukken dienen gelezen zijn en de opdrachten gemaakt.

Werkcollege

  • Begrijpen: De student legt de literatuur van het vak Oosterse religies uit in leerlingtaal (30%)
  • Toepassen: De student sluit aan bij de belevingswereld van de leerling (10%)
  • Toepassen: De student past verschillende werkvormen toe om de leerdoelen te bereiken (10%)
  • Evalueren: De student verantwoordt aan de hand van literatuur de keuzes die gemaakt zijn bij het ontwikkelen van het werkboek (20%)
  • Evalueren: De student evalueert zijn eigen proces en product met behulp van feedback (10%)
  • Creëren: De student creeert een aantrekkelijk vormgegeven product voor leerlingen (10%)
  • Creëren: De student creëert helder geformuleerde opdrachten op niveau voor leerlingen (10%)

Klik hier voor de toetsmatrijs.

Ba DRL

  • 2.5 Kennis en inzicht in de geschiedenis, huidige verschijningsvormen en eigen aard van boeddhisme.
  • 8.2 Kennis van, inzicht in, en toepassing van verschillende (vak-) didactische concepten en methodes voor het vak.
    Opnemen toetsing en beoordeling.
  • 8.3 Kennis van, inzicht in en toepassen van o.a. multimediale werkvormen (ICT, social media); activerende groepswerkvormen; beelddidactische werkvormen; levensbeschouwelijke gespreksvormen.
 

Ba DRL

  • 3.1 Een bekwame leraar is een leraar die heeft aangetoond dat hij met zijn vakinhoudelijke, vakdidactische en
    pedagogische kennis en kunde zijn werk als leraar en als deelnemer aan de professionele onderwijsgemeenschap die hij samen met zijn collegas vormt, kan verrichten op een professioneel doelmatige en verantwoorde wijze.j
  • 3.1.1 Zijn eigen onderwijs vormgeven, afstemmen op het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, uitvoeren,
    evalueren en bijstellen
  • 3.1.5 Zijn professionele handelen uitleggen en verantwoorden.
  • 3.2 Vakinhoudelijk bekwaam wil zeggen dat de leraar de inhoud van zijn onderwijs beheerst. Hij ’staat boven’ de
    leerstof en kan die zo samenstellen, kiezen en/of bewerken dat zijn leerlingen die kunnen leren. De leraar kan
    vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap
    en bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen. Hij houdt zijn vakkennis en -kunde actueel. Om
    vakinhoudelijk bekwaam te zijn moet de leraar ten minste het volgende in algemene termen weten en kunnen.
  • 3.2.1 De leraar beheerst de leerstof qua kennis en vaardigheden waarvoor hij verantwoordelijk is en kent
    de theoretische en praktische achtergronden van zijn vak. Hij kan de leerstof op een begrijpelijke en
    aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden. In de
    context van het beroepsgerichte onderwijs houdt dit in dat de beheersing van de leerstof ook gericht is op
    de beroepspraktijk en de verbinding van de theorie aan de (beroeps-)praktijk.
  • 3.3.1 Hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen,
    de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen.
  • 3.3.A5 De leraar kent verschillende didactische leer- en werkvormen (onder meer ten behoeve van het
    beroepsgerichte onderwijs) en de psychologische achtergrond daarvan. Hij kent criteria waarmee de
    bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld.
  • 3.3.B.a1 Doelen stellen, leerstof selecteren en ordenen.

Inleiding wereldreligies uit de propedeuse dient behaalt te zijn.

Opdrachten

Huiswerkopdrachten, voor de eindopdracht maak je per college een klein onderdeel, dat neem je mee naar het college en daar krijg je feedback op.

Elk college een werkblad inbrengen

Werkbladen inleveren is een voorwaarde om het college te mogen volgen

  • Beroepsproduct
  • Beroepsproduct
  • Begrijpen
  • Toepassen
  • Evalueren
  • Creëren

cijfer 1-10

10 werkdagen na inleveren

Verplichte literatuur

  • Velde, van der P. (2021), In de huid van de Boeddha. Uitgeverij Balans (aanschaffen)

Aanbevolen literatuur

  • Harvey, P. (2012), An introduction to Buddhism. Teaching, history and practices. Cambridge University Press, 2e druk
  • Jansma, R. (2010), Handboek Hindoeisme. Rotterdam: Synthese B.V.
  • Prothero, P. (2011), God is not one. HarperCollins Publishers Inc., 388, 1e druk
 

 

Toetsmatrijs 2024 - 2025

beoord. niveauleerdoeltoetsitemweging
Begrijpen De student legt de literatuur van het vak Oosterse religies uit in leerlingtaal (Ba DRL: Vakinhoudelijk bekwaam ) (30%)
Toepassen De student sluit aan bij de belevingswereld van de leerling (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (10%)
Toepassen De student past verschillende werkvormen toe om de leerdoelen te bereiken (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (10%)
Evalueren De student verantwoordt aan de hand van literatuur de keuzes die gemaakt zijn bij het ontwikkelen van het werkboek (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (20%)
Evalueren De student evalueert zijn eigen proces en product met behulp van feedback (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (10%)
Creëren De student creeert een aantrekkelijk vormgegeven product voor leerlingen (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (10%)
Creëren De student creëert helder geformuleerde opdrachten op niveau voor leerlingen (Ba DRL: Vakdidactisch bekwaam ) (10%)