Logo

Bachelor Theologie (Geestelijk begeleider)

propedeuse

Het eerste jaar van de studie dient om vast te stellen of de student geschikt is om de studie te volgen. In deze fase oriënteert de student zich op het mogelijke beroep. Hij toont aan dat hij in staat is de studie goed te organiseren en het niveau van de studie aan te kunnen.

Studiejaar 2021-2022

  • Periode 1
    • Onderscheidt op basisniveau de katholieke spiritualiteit van andere vormen van spiritualiteit.
    • Legt uit wat levensbeschouwelijke vragen zijn en herkent de behandeling van levensbeschouwelijke vragen in de stagepraktijk.
    • Draagt verantwoordelijkheid in de samenwerking met medestudenten, bewaakt de doelstelling van opdrachten en werkzaamheden en neemt initiatief om deze te bereiken.
    • Onderzoekt praktijksituaties met behulp van een eenvoudige reflectiemethode.
    • Reflecteert op eigen studie en leerstijl. & Toont zich bereid en in staat kritisch naar zichzelf te kijken en om te gaan met feedback.
    • Beschrijft adequaat de organisatiecontext van de stageplek.
    • Formuleert de eigen motivatie voor de studiekeuze
    • Drukt zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk, correct en passend uit ook binnen sociale media rekening houdend met het beoogde publiek.
    • Is zich bewust van de eigen spiritualiteit en kan deze rudimentair verwoorden.
    • Reflecteert op eigen studie en leerstijl. & Toont zich bereid en in staat kritisch naar zichzelf te kijken en om te gaan met feedback.
    • Toont zich begripvol en empathisch naar mensen met andere overtuigingen of standpunten.
    • Beschrijft observaties op een feitelijke en zo neutraal mogelijk manier.
    • Drukt zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk, correct en passend uit ook binnen sociale media rekening houdend met het beoogde publiek.
    • Maakt een beroepsproduct waarin de kennis m.b.t. geestelijke begeleiding op begrijpelijke, communicatief op de doelgroep toegesneden wijze verwerkt wordt.
    • Toont zich begripvol en empathisch naar mensen met andere overtuigingen of standpunten.
    • Omschrijft de begrippen symbool en ritueel.
    • Formuleert het onderscheid tussen communicatie op inhouds- en op betrekkingsniveau.
    • Noemt de do’s en dont’s van levensbeschouwelijke gespreksvoering.
    • Onderscheidt en hanteert verschillende typen interventies in gespreksvoering en maakt onderscheid tussen vriendschappelijk en hulpverlenend gesprek.
    • Organiseert de eigen studie en stage, werkt planmatig en doelgericht en neemt daarmee verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces.
    • Laat zien verantwoordelijkheid te nemen en afspraken na te komen op de stageplek en in de samenwerking met anderen bij de voorbereiding van de beroepsproducten.
    • Draagt verantwoordelijkheid in de samenwerking met medestudenten, bewaakt de doelstelling van opdrachten en werkzaamheden en neemt initiatief om deze te bereiken.
    • Beschrijft observaties op een feitelijke en zo neutraal mogelijk manier.
    • Omschrijft adequaat het werkterrein van de stageplek en formuleert een perspectief op zichzelf binnen het beroep van geestelijk begeleider.
    • Formuleert de eigen motivatie voor de studiekeuze
    • Onderzoekt praktijksituaties met behulp van een eenvoudige reflectiemethode.
  • 19PBVKPG Kennismaken met de Praktijk Geestelijke begeleider
    AS
    5ec
    78cu
    • De student verbindt het filosofisch denken met de andere modulen van het curriculum van de opleiding.
    • De studenten reflecteren op hun eigen vooronderstellingen.
  • 19PWBIFI Inleiding filosofie
    ST
    5ec
    46cu
    • De student creëert zijn eigen definitie van religie in verhouding tot bestaande definities
    • De student kan actuele religieuze fenomenen duiden
    • De student legt de ontstaansgeschiedenis, rituelen, gebruiken en stromingen van het jodendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme uit.
    • De student kan de verschillen tussen theologie en religiewetenschap benoemen
    • De student creëert zijn eigen definitie van religie in verhouding tot bestaande definities
    • De student kan actuele religieuze fenomenen duiden
    • De student past kennis van het jodendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme toe
    • De student kan basiskennis van het jodendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme reproduceren
  • 19PRWIWR Inleiding wereldreligies
    ST
    5ec
    46cu
    • De student maakt kennis met diverse vormen van spiritualiteit die h/zij als theoloog in de praktijk kan tegenkomen, zowel traditionele als nieuwe vormen.
    • De student onderzoekt en beschrijft een deelthema op het gebied van spiritualiteit.
    • De student bepaalt de eigen positie ten opzichte van de verschillende spiritualiteit
    • De student bepaalt de eigen positie ten opzichte van de verschillende spiritualiteit
    • De student onderzoekt en beschrijft een deelthema op het gebied van spiritualiteit.
  • 19PSPISP Inleiding Oosterse en Westerse spiritualiteit
    ST,PR,LV
    5ec
    44cu
  •  
     
    20ec
    214cu
  • Periode 2
    • De student benoemt de grote thema's uit de christelijke theologie zoals godsbeelden, schepping, openbaring, kwaad, menswording, verlossing, triniteit, kerk, sacramenten en eschatologie
    • De student past de theologische concepten uit de lesstof van het college toe op een aantal klassieke theologische teksten
    • De student legt uit hoe openbaring en ervaring en hoe schrift en traditie zich tot elkaar verhouden
    • De student definieert theologie en benoemt de overeenkomsten en verschillen tussen theologie en religiewetenschappen
    • De student ordent de centrale geloofsgeheimen en brengt deze met elkaar in verbinding
    • De student legt uit hoe de christelijke theologie reflecteert op Triniteit, kerk, sacramenten en eschatologie
  • 19PRSTICT Inleiding christelijke theologie
    ST
    5ec
    46cu
    • Studenten benoemen in eigen woorden wat zij zien als de context waarin de praktische theologie zich begeeft (o.a. individualisering)
    • Studenten passen de methode van praktische theologie toe op een situatie/ thema uit de dagelijkse praktijk
    • Studenten laten zien in een groep in staat te zijn tot een samenwerking waarin zij afspraken nakomen en verantwoordelijkheid nemen voor het totale proces.
  • 19PPTIPT Inleiding praktische theologie
    WS
    5ec
    44cu
    • Onderscheidt op basisniveau de katholieke spiritualiteit van andere vormen van spiritualiteit.
    • Legt uit wat levensbeschouwelijke vragen zijn en herkent de behandeling van levensbeschouwelijke vragen in de stagepraktijk.
    • Draagt verantwoordelijkheid in de samenwerking met medestudenten, bewaakt de doelstelling van opdrachten en werkzaamheden en neemt initiatief om deze te bereiken.
    • Onderzoekt praktijksituaties met behulp van een eenvoudige reflectiemethode.
    • Reflecteert op eigen studie en leerstijl. & Toont zich bereid en in staat kritisch naar zichzelf te kijken en om te gaan met feedback.
    • Beschrijft adequaat de organisatiecontext van de stageplek.
    • Formuleert de eigen motivatie voor de studiekeuze
    • Drukt zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk, correct en passend uit ook binnen sociale media rekening houdend met het beoogde publiek.
    • Is zich bewust van de eigen spiritualiteit en kan deze rudimentair verwoorden.
    • Reflecteert op eigen studie en leerstijl. & Toont zich bereid en in staat kritisch naar zichzelf te kijken en om te gaan met feedback.
    • Toont zich begripvol en empathisch naar mensen met andere overtuigingen of standpunten.
    • Beschrijft observaties op een feitelijke en zo neutraal mogelijk manier.
    • Drukt zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk, correct en passend uit ook binnen sociale media rekening houdend met het beoogde publiek.
    • Maakt een beroepsproduct waarin de kennis m.b.t. geestelijke begeleiding op begrijpelijke, communicatief op de doelgroep toegesneden wijze verwerkt wordt.
    • Toont zich begripvol en empathisch naar mensen met andere overtuigingen of standpunten.
    • Omschrijft de begrippen symbool en ritueel.
    • Formuleert het onderscheid tussen communicatie op inhouds- en op betrekkingsniveau.
    • Noemt de do’s en dont’s van levensbeschouwelijke gespreksvoering.
    • Onderscheidt en hanteert verschillende typen interventies in gespreksvoering en maakt onderscheid tussen vriendschappelijk en hulpverlenend gesprek.
    • Organiseert de eigen studie en stage, werkt planmatig en doelgericht en neemt daarmee verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces.
    • Laat zien verantwoordelijkheid te nemen en afspraken na te komen op de stageplek en in de samenwerking met anderen bij de voorbereiding van de beroepsproducten.
    • Draagt verantwoordelijkheid in de samenwerking met medestudenten, bewaakt de doelstelling van opdrachten en werkzaamheden en neemt initiatief om deze te bereiken.
    • Beschrijft observaties op een feitelijke en zo neutraal mogelijk manier.
    • Omschrijft adequaat het werkterrein van de stageplek en formuleert een perspectief op zichzelf binnen het beroep van geestelijk begeleider.
    • Formuleert de eigen motivatie voor de studiekeuze
    • Onderzoekt praktijksituaties met behulp van een eenvoudige reflectiemethode.
  • 19PBVKPG Kennismaken met de Praktijk Geestelijke begeleider
    AS
    5ec
    78cu
    • Zij hebben kennis van de geschiedenis van het christendom in grote lijnen (feitenkennis). Zij kennen diverse hoofdpersonen en situaties en kunnen die in hun historische context plaatsen en hun betekenis duiden (toepassen).
    • Zij geven de historische gebeurtenissen in duidelijke, korte bewoordingen weer zodat de rode draad zichtbaar wordt. (samenvatten)
    • Zij zijn in staat het verworven inzicht over de behandelde onderwerpen helder, overzichtelijk en correct weer te geven.
    • Zij kunnen desgevraagd een historisch standpunt innemen, historische vragen stellen en bronnengebruik kritisch bevragen.
    • Zij kunnen informatie uit diverse bronnen integreren dan wel onderscheiden (analyse). Vermogen om verschillende gebeurtenissen uit verleden en/of heden verantwoord met elkaar te verbinden (ordenen).
  • 19PKGGCH Geschiedenis van het christendom
    ST
    5ec
    46cu
  •  
     
    20ec
    214cu
  • Periode 3
    • Onderscheidt op basisniveau de katholieke spiritualiteit van andere vormen van spiritualiteit.
    • Legt uit wat levensbeschouwelijke vragen zijn en herkent de behandeling van levensbeschouwelijke vragen in de stagepraktijk.
    • Draagt verantwoordelijkheid in de samenwerking met medestudenten, bewaakt de doelstelling van opdrachten en werkzaamheden en neemt initiatief om deze te bereiken.
    • Onderzoekt praktijksituaties met behulp van een eenvoudige reflectiemethode.
    • Reflecteert op eigen studie en leerstijl. & Toont zich bereid en in staat kritisch naar zichzelf te kijken en om te gaan met feedback.
    • Beschrijft adequaat de organisatiecontext van de stageplek.
    • Formuleert de eigen motivatie voor de studiekeuze
    • Drukt zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk, correct en passend uit ook binnen sociale media rekening houdend met het beoogde publiek.
    • Is zich bewust van de eigen spiritualiteit en kan deze rudimentair verwoorden.
    • Reflecteert op eigen studie en leerstijl. & Toont zich bereid en in staat kritisch naar zichzelf te kijken en om te gaan met feedback.
    • Toont zich begripvol en empathisch naar mensen met andere overtuigingen of standpunten.
    • Beschrijft observaties op een feitelijke en zo neutraal mogelijk manier.
    • Drukt zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk, correct en passend uit ook binnen sociale media rekening houdend met het beoogde publiek.
    • Maakt een beroepsproduct waarin de kennis m.b.t. geestelijke begeleiding op begrijpelijke, communicatief op de doelgroep toegesneden wijze verwerkt wordt.
    • Toont zich begripvol en empathisch naar mensen met andere overtuigingen of standpunten.
    • Omschrijft de begrippen symbool en ritueel.
    • Formuleert het onderscheid tussen communicatie op inhouds- en op betrekkingsniveau.
    • Noemt de do’s en dont’s van levensbeschouwelijke gespreksvoering.
    • Onderscheidt en hanteert verschillende typen interventies in gespreksvoering en maakt onderscheid tussen vriendschappelijk en hulpverlenend gesprek.
    • Organiseert de eigen studie en stage, werkt planmatig en doelgericht en neemt daarmee verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces.
    • Laat zien verantwoordelijkheid te nemen en afspraken na te komen op de stageplek en in de samenwerking met anderen bij de voorbereiding van de beroepsproducten.
    • Draagt verantwoordelijkheid in de samenwerking met medestudenten, bewaakt de doelstelling van opdrachten en werkzaamheden en neemt initiatief om deze te bereiken.
    • Beschrijft observaties op een feitelijke en zo neutraal mogelijk manier.
    • Omschrijft adequaat het werkterrein van de stageplek en formuleert een perspectief op zichzelf binnen het beroep van geestelijk begeleider.
    • Formuleert de eigen motivatie voor de studiekeuze
    • Onderzoekt praktijksituaties met behulp van een eenvoudige reflectiemethode.
  • 19PBVKPG Kennismaken met de Praktijk Geestelijke begeleider
    AS
    5ec
    78cu
    • Beschrijf de bijbel en diens inhoud zodat je kennis blijkt over opbouw, achtergronden, ontstaansgeschiedenis, gebruik etc. Beschrijf een bijbeltekst en licht de plek in de bijbel toe, het genre en bijzonderheden over auteurschap, datering en andere omstan
    • De student reflecteert op zijn eigen positie ten aanzien van de bijbel voor, tijdens en na de collegereeks.
    • De student analyseert een bijbelgedeelte en doet uitspraken over de mogelijke thematiek die aan de orde is in dit deel, en zijn maakt een (basale) exegese.
    • De student reflecteert op zijn eigen positie ten aanzien van de bijbel voor, tijdens en na de collegereeks.
    • De student reflecteert op zijn eigen positie ten aanzien van de bijbel voor, tijdens en na de collegereeks.
    • De student onderkent en beschrijft een bijbelverwijzing in een culturele uiting. De student relateert deze beide aan elkaar en interpreteert de betekenis die de kunstenaar gegeven heeft.
    • De student analyseert een bijbelgedeelte en doet uitspraken over de mogelijke thematiek die aan de orde is in dit deel, en zijn maakt een (basale) exegese.
  • 19PBWBEW De Bijbel en zijn wereld
    ST
    5ec
    46cu
    • De student legt verbinding tussen filosofische vraagstelling en vragen van theologie levensbeschouwing.
    • De student leest filosofische teksten en verwoordt de inhoud daarvan adequaat.
    • De student beschrijft globaal de lijnen binnen de geschiedenis van de westerse filosofie en benoemt per tijdperk tenminste een belangrijk aandachtsveld.
    • De student legt verbinding tussen filosofische vraagstelling en vragen van theologie levensbeschouwing.
    • De student leest filosofische teksten en verwoordt de inhoud daarvan adequaat.
  • 19PWBGFI Geschiedenis van de filosofie
     
    5ec
    46cu
    • De student analyseert vanuit sociologische en psychologische concepten
    • De student kan inzichten uit de sociologie en psychologie toepassen op een casus
    • De student ontwikkelt een eigen visie op actuele thema's en beargumenteert dit vanuit sociologische en psychologische concepten.
    • De student herkent sociologische en psychologische thema's in (kranten)artikelen
    • De student analyseert vanuit sociologische en psychologische concepten
    • De student legt sociologische en psychologische begrippen uit de colleges en de literatuur uit in eigen woorden en geeft voorbeelden
  • 19PSWISW Inleiding sociale wetenschappen
    ST
    5ec
    46cu
  •  
     
    20ec
    216cu

hoofdfase

In het tweede en derde jaar gaat het er om dat de student aantoont geschikt te zijn voor de uitoefening van het beroep waarvoor de opleiding opleidt. In onder meer stage en trainingen bewijst de student deze geschiktheid.

Studiejaar 2022-2023

  • Periode 1
    • De student reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
    • De student heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • De student duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • De student brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en levensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • De student legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze traditie en de actuele situatie.
    • De student kan enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang verhelderen en verbinden en op basis daa
    • De student gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
    • De student verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
    • De student faciliteert een leeromgeving of geeft leeractiviteiten vorm ten behoeve van leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
    • De student stelt evaluatiecriteria op en reflecteert regelmatig op product en proces van uitvoering, daarbij gebruik makend van de feedback van hen die begeleid wor-den en andere betrokkenen.
    • De student toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
    • De student reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling.
    • De student geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn professionele identiteit.
    • De student is in staat kritisch te reflecteren op religieuze tradities of stromingen, bijbehorende geschriften, gebruiken en symbolen en weet die op waarde te schatten.
    • De student toont de volgende kernkwaliteiten: levensbeschouwelijk sensitief; integer en authentiek; enthousiast en overtuigend; communicatief en samenwerkend; verantwoordelijk; reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames.
    • De student kiest de juiste communicatie passend bij de doelgroep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
    • De student formuleert passende gebeden en rituele/liturgische teksten.
    • De student schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • De student is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
    • De student heeft inzicht in menselijk gedrag, psychologische en geestelijke processen met specifieke aandacht voor de verhouding tot het transcendente.
    • De student herkent en hanteert grenzen binnen het eigen professionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwijzen naar derden.
    • De student hanteert verschillende pastorale gesprekstechnieken gericht op geestelijke begeleiding en stelt adequate diagnoses.
    • De student hanteert het onderscheid tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en geestelijke begeleiding/pastoraat.
    • De student levert een actieve bijdrage aan (vernieuwings-)projecten door het doen van praktijkgericht onderzoek naar aanleiding van gesignaleerde vragen of knelpunten, door het vertalen van de resultaten daarvan in praktische aanbevelingen, en door het (i
    • De student draagt constructief en loyaal-kritisch bij aan het formuleren en behalen van gemeenschappelijke doelen in organisaties en samenwerkingsverbanden en stimuleert hierbij (voor zover van toepassing) de identiteit van de organisatie.
    • De student schept in een minder geïnstitutionaliseerde of snel veranderende omgeving zelf waar nodig kaders voor de organisatie van het eigen werk (financiën, voorzieningen, relatiebeheer).
    • De student levert een proactieve en ondernemende bijdrage aan de structurele aspecten van de organisatie, met aandacht en zorg voor personeel, betrokken vrijwilligers, financiën en voorzieningen.
    • De student kan zorg dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit een (kerkelijke) organisatie, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • De student kan samen werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
    • De student bevordert brede samenwerking, zowel met professionals als met vrijwilligers, en werkt in teamverband.
    • De student is zich bewust van de voorbeeldfunctie die een leider heeft en handelt hier ook naar.
    • De student draagt verantwoordelijkheid voor en geeft transparant, integer en dienstbaar leiding aan geloofs-en zingevingsprocessen bij individuen en groepen.
    • De student kan individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar leiden en begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • De student onderzoekt de eigen beroepspraktijk en/of de voorwaarden voor de eigen beroepsuitoefening en vertaalt de bevindingen in consequenties voor het eigen handelen en dat van andere betrokkenen in deze beroepspraktijk.
    • De student heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
    • De student kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek.
    • De student onderzoekt (veranderingen in) de context van de praktijk waarin hij zijn beroep uitoefent (organisatie, geloofsgemeenschap, wijk), en vertaalt de resultaten in praktische aanbevelingen voor verbetering van die praktijk.
  • 19HBVO1G Oefenen in de praktijk I Geestelijk begeleider
    PAS
    5ec
    32cu
    • De student heeft een basisbagage van teksten om te kunnen gebruiken bij rituelen en levensbeschouwelijke gesprekken.
    • De student is in staat zelf een perikoop te exegetiseren.
    • De student heeft een basisbagage van teksten om te kunnen gebruiken bij rituelen en levensbeschouwelijke gesprekken.
  • 19HBWOTE Oude Testament
    WS,LV
    5ec
    32cu
    • De student weet de waarde van een zelf gekozen vroegchristelijke brontekst voor de huidige tijd én voor de persoonlijke levensbeschouwelijke vorming uiteen te zetten en te verklaren.
    • De student is in staat om een zelf gekozen vroegchristelijke tekst te analyseren en in zijn historische context te plaatsen met behulp van een leesmethode en van secundaire literatuur.
    • De student maakt onderscheid tussen de historische betekenis van vroegchristelijke teksten en de theologische/ spirituele waarde ervan voor de huidige tijd.
    • De student is in staat om vroegchristelijke teksten te bestuderen aan de hand van studievragen en ze in hun historische context te plaatsen.
    • De student weet de waarde van een zelf gekozen vroegchristelijke brontekst voor de huidige tijd én voor de persoonlijke levensbeschouwelijke vorming uiteen te zetten en te verklaren.
    • De student is in staat om een zelf gekozen vroegchristelijke tekst te analyseren en in zijn historische context te plaatsen met behulp van een leesmethode en van secundaire literatuur.
    • De student presenteert zijn/ haar analyse van de brontekst aan medestudenten in een flitspresentatie.
    • De student weet de waarde van een zelf gekozen vroegchristelijke brontekst voor de huidige tijd én voor de persoonlijke levensbeschouwelijke vorming uiteen te zetten en te verklaren.
    • De student is in staat om een zelf gekozen vroegchristelijke tekst te analyseren en in zijn historische context te plaatsen met behulp van een leesmethode en van secundaire literatuur.
  • 19HKGVCH Vroege christendom
    WS,PR
    5ec
    32cu
    • De student beschrijft tradities en gebruiken uit het jodendom en de islam
    • De student past joodse en islamitisch concepten toe
    • De student vat de onstaansgeschiedenis van het jodendom en de islam samen
    • de studenten beschrijft het spanningsveld tussen ideaal en praktijk van religie en ontwikkelen daar een eigen visie op.
    • de studenten hebben kennis van de grondbeginselen van het jodendom en de islam
    • de studenten analyseert de samenhang tussen geschiedenis en actuele uitingen van religie
    • de studenten beschrijft het spanningsveld tussen ideaal en praktijk van religie en ontwikkelen daar een eigen visie op.
    • De student beschrijft tradities en gebruiken uit het jodendom en de islam
    • de studenten beschrijft het spanningsveld tussen ideaal en praktijk van religie en ontwikkelen daar een eigen visie op.
    • De student beschrijft tradities en gebruiken uit het jodendom en de islam
  • 19HRWJIS Jodendom en Islam
    ST
    5ec
    34cu
  •  
     
    20ec
    130cu
  • Periode 2
    • De student reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
    • De student heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • De student duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • De student brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en levensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • De student legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze traditie en de actuele situatie.
    • De student kan enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang verhelderen en verbinden en op basis daa
    • De student gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
    • De student verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
    • De student faciliteert een leeromgeving of geeft leeractiviteiten vorm ten behoeve van leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
    • De student stelt evaluatiecriteria op en reflecteert regelmatig op product en proces van uitvoering, daarbij gebruik makend van de feedback van hen die begeleid wor-den en andere betrokkenen.
    • De student toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
    • De student reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling.
    • De student geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn professionele identiteit.
    • De student is in staat kritisch te reflecteren op religieuze tradities of stromingen, bijbehorende geschriften, gebruiken en symbolen en weet die op waarde te schatten.
    • De student toont de volgende kernkwaliteiten: levensbeschouwelijk sensitief; integer en authentiek; enthousiast en overtuigend; communicatief en samenwerkend; verantwoordelijk; reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames.
    • De student kiest de juiste communicatie passend bij de doelgroep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
    • De student formuleert passende gebeden en rituele/liturgische teksten.
    • De student schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • De student is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
    • De student heeft inzicht in menselijk gedrag, psychologische en geestelijke processen met specifieke aandacht voor de verhouding tot het transcendente.
    • De student herkent en hanteert grenzen binnen het eigen professionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwijzen naar derden.
    • De student hanteert verschillende pastorale gesprekstechnieken gericht op geestelijke begeleiding en stelt adequate diagnoses.
    • De student hanteert het onderscheid tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en geestelijke begeleiding/pastoraat.
    • De student levert een actieve bijdrage aan (vernieuwings-)projecten door het doen van praktijkgericht onderzoek naar aanleiding van gesignaleerde vragen of knelpunten, door het vertalen van de resultaten daarvan in praktische aanbevelingen, en door het (i
    • De student draagt constructief en loyaal-kritisch bij aan het formuleren en behalen van gemeenschappelijke doelen in organisaties en samenwerkingsverbanden en stimuleert hierbij (voor zover van toepassing) de identiteit van de organisatie.
    • De student schept in een minder geïnstitutionaliseerde of snel veranderende omgeving zelf waar nodig kaders voor de organisatie van het eigen werk (financiën, voorzieningen, relatiebeheer).
    • De student levert een proactieve en ondernemende bijdrage aan de structurele aspecten van de organisatie, met aandacht en zorg voor personeel, betrokken vrijwilligers, financiën en voorzieningen.
    • De student kan zorg dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit een (kerkelijke) organisatie, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • De student kan samen werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
    • De student bevordert brede samenwerking, zowel met professionals als met vrijwilligers, en werkt in teamverband.
    • De student is zich bewust van de voorbeeldfunctie die een leider heeft en handelt hier ook naar.
    • De student draagt verantwoordelijkheid voor en geeft transparant, integer en dienstbaar leiding aan geloofs-en zingevingsprocessen bij individuen en groepen.
    • De student kan individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar leiden en begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • De student onderzoekt de eigen beroepspraktijk en/of de voorwaarden voor de eigen beroepsuitoefening en vertaalt de bevindingen in consequenties voor het eigen handelen en dat van andere betrokkenen in deze beroepspraktijk.
    • De student heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
    • De student kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek.
    • De student onderzoekt (veranderingen in) de context van de praktijk waarin hij zijn beroep uitoefent (organisatie, geloofsgemeenschap, wijk), en vertaalt de resultaten in praktische aanbevelingen voor verbetering van die praktijk.
  • 19HBVO1G Oefenen in de praktijk I Geestelijk begeleider
    PAS
    5ec
    32cu
    • De student kent de thema's, vragen en verhalen van het Nieuwe Testament en kan die toepassen en actualiseren. De student herkent nieuwtestamentische thema's in hedendaagse cultuur en muziek.
    • De student legt een tekst adequaat uit door de richtlijnen van exegese toe te passen.
  • 19HBWNT Nieuwe Testament
    WS
    5ec
    32cu
    • Studenten verantwoorden morele keuzen op grond van filosofisch-ethische reflectie.
    • De studenten reflecteren op hun eigen morele stellingname.
    • Studenten onderscheiden verschillende profielen van ethiek.
    • Studenten analyseren eigentijdse politieke en ethische problemen.
    • Studenten verantwoorden morele keuzen op grond van filosofisch-ethische reflectie.
    • De studenten reflecteren op hun eigen morele stellingname.
    • Studenten verantwoorden morele keuzen op grond van filosofisch-ethische reflectie.
    • Studenten onderscheiden verschillende profielen van ethiek.
  • 19HWBFET Filosofische ethiek
    WS
    5ec
    32cu
    • De student duidt hedendaagse religieuze fenomenen aan de hand van de begrippen uit de godsdienstsociologie en -psychologie.
    • De student reproduceert basisbegrippen uit de godsdienstsociologie en -psychologie
    • De student duidt hedendaagse religieuze fenomenen aan de hand van de begrippen uit de godsdienstsociologie en -psychologie.
  • 19HSWGSP Godsdienstsociologie en -psychologie
    ES,WS
    5ec
    32cu
  •  
     
    20ec
    128cu
  • Periode 3
    • De student vormt en ontwikkelt een eigen visie op de kansen en uitdagingen van de (toekomst) van de dialoog, mede t.a.v. de beroepspraktijk.
    • De student is op de hoogte van de verschillende visies op interreligieuze ontmoeting en op de katholieke visie in het bijzonder.
    • De student is op de hoogte van de huidige oecumenische situatie en de huidige oecumenische dialogen.
    • De student vormt en ontwikkelt een eigen visie op de kansen en uitdagingen van de (toekomst) van de dialoog, mede t.a.v. de beroepspraktijk.
    • De student vormt en ontwikkelt een eigen visie op de kansen en uitdagingen van de (toekomst) van de dialoog, mede t.a.v. de beroepspraktijk.
  • 19HSTIDO Interreligieuze dialoog en oecumene
    WS
    5ec
    32cu
    • De student reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
    • De student heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • De student duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • De student brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en levensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • De student legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze traditie en de actuele situatie.
    • De student kan enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang verhelderen en verbinden en op basis daa
    • De student gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
    • De student verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
    • De student faciliteert een leeromgeving of geeft leeractiviteiten vorm ten behoeve van leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
    • De student stelt evaluatiecriteria op en reflecteert regelmatig op product en proces van uitvoering, daarbij gebruik makend van de feedback van hen die begeleid wor-den en andere betrokkenen.
    • De student toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
    • De student reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling.
    • De student geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn professionele identiteit.
    • De student is in staat kritisch te reflecteren op religieuze tradities of stromingen, bijbehorende geschriften, gebruiken en symbolen en weet die op waarde te schatten.
    • De student toont de volgende kernkwaliteiten: levensbeschouwelijk sensitief; integer en authentiek; enthousiast en overtuigend; communicatief en samenwerkend; verantwoordelijk; reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames.
    • De student kiest de juiste communicatie passend bij de doelgroep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
    • De student formuleert passende gebeden en rituele/liturgische teksten.
    • De student schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • De student is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
    • De student heeft inzicht in menselijk gedrag, psychologische en geestelijke processen met specifieke aandacht voor de verhouding tot het transcendente.
    • De student herkent en hanteert grenzen binnen het eigen professionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwijzen naar derden.
    • De student hanteert verschillende pastorale gesprekstechnieken gericht op geestelijke begeleiding en stelt adequate diagnoses.
    • De student hanteert het onderscheid tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en geestelijke begeleiding/pastoraat.
    • De student levert een actieve bijdrage aan (vernieuwings-)projecten door het doen van praktijkgericht onderzoek naar aanleiding van gesignaleerde vragen of knelpunten, door het vertalen van de resultaten daarvan in praktische aanbevelingen, en door het (i
    • De student draagt constructief en loyaal-kritisch bij aan het formuleren en behalen van gemeenschappelijke doelen in organisaties en samenwerkingsverbanden en stimuleert hierbij (voor zover van toepassing) de identiteit van de organisatie.
    • De student schept in een minder geïnstitutionaliseerde of snel veranderende omgeving zelf waar nodig kaders voor de organisatie van het eigen werk (financiën, voorzieningen, relatiebeheer).
    • De student levert een proactieve en ondernemende bijdrage aan de structurele aspecten van de organisatie, met aandacht en zorg voor personeel, betrokken vrijwilligers, financiën en voorzieningen.
    • De student kan zorg dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit een (kerkelijke) organisatie, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • De student kan samen werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
    • De student bevordert brede samenwerking, zowel met professionals als met vrijwilligers, en werkt in teamverband.
    • De student is zich bewust van de voorbeeldfunctie die een leider heeft en handelt hier ook naar.
    • De student draagt verantwoordelijkheid voor en geeft transparant, integer en dienstbaar leiding aan geloofs-en zingevingsprocessen bij individuen en groepen.
    • De student kan individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar leiden en begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • De student onderzoekt de eigen beroepspraktijk en/of de voorwaarden voor de eigen beroepsuitoefening en vertaalt de bevindingen in consequenties voor het eigen handelen en dat van andere betrokkenen in deze beroepspraktijk.
    • De student heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
    • De student kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek.
    • De student onderzoekt (veranderingen in) de context van de praktijk waarin hij zijn beroep uitoefent (organisatie, geloofsgemeenschap, wijk), en vertaalt de resultaten in praktische aanbevelingen voor verbetering van die praktijk.
  • 19HBVO1G Oefenen in de praktijk I Geestelijk begeleider
    PAS
    5ec
    32cu
    • De student legt de betekenis van moraaltheologische begrippen en denkbeelden uit en contrasteert diverse zienswijzen.
    • De student past zijn kennis van zaken met betrekking tot de fundamenten van de moraaltheologie en de moraalprudentie toe op het gebied van menselijke relaties.
    • De student benoemt de uitgangspunten van de moraaltheologie en beschrijft de actuele katholieke moraalprudentie.
    • De student vergelijkt standpunten in het moreel gesprek met elkaar en komt tot nieuw gezamenlijk inzicht. De student vat de grote lijnen samen van een individueel proces van inzicht.
    • De student legt de betekenis van moraaltheologische begrippen en denkbeelden uit en contrasteert diverse zienswijzen.
    • De student vergelijkt standpunten in het moreel gesprek met elkaar en komt tot nieuw gezamenlijk inzicht. De student vat de grote lijnen samen van een individueel proces van inzicht.
    • De student legt de betekenis van moraaltheologische begrippen en denkbeelden uit en contrasteert diverse zienswijzen.
    • De student vergelijkt standpunten in het moreel gesprek met elkaar en komt tot nieuw gezamenlijk inzicht. De student vat de grote lijnen samen van een individueel proces van inzicht.
    • De student legt de betekenis van moraaltheologische begrippen en denkbeelden uit en contrasteert diverse zienswijzen.
    • De student vergelijkt standpunten in het moreel gesprek met elkaar en komt tot nieuw gezamenlijk inzicht. De student vat de grote lijnen samen van een individueel proces van inzicht.
    • De student past zijn kennis van zaken met betrekking tot de fundamenten van de moraaltheologie en de moraalprudentie toe op het gebied van menselijke relaties.
    • De student vergelijkt standpunten in het moreel gesprek met elkaar en komt tot nieuw gezamenlijk inzicht. De student vat de grote lijnen samen van een individueel proces van inzicht.
  • 19HSPMT1 Moraaltheologie I
     
    5ec
    32cu
    • De student beschikt over kennis van de centrale thema�s, concepten en theorie�n in het canoniek recht.
    • Student kan door onderwijs of literatuur aangereikte kennis correct en adequaat reproduceren, in eigen woorden samenvatten, en in nieuwe contexten toepassen.
  • 19HCRICR Inleiding canoniek recht
    ST
    5ec
    34cu
  •  
     
    20ec
    130cu

Studiejaar 2023-2024

  • Periode 1
    • De student benoemt enkele hedendaagse christologische en triniteitstheologische discussies als ook de voornaamste christologische discussies uit de eerste eeuwen van het christendom.
    • De student onderscheidt de christologische visies uit de eerste eeuwen van het christendom en verbindt deze met christelijke kerkgenootschappen uit deze tijd
    • De student legt uit hoe analogie en appropriatie als taalhandelingen functioneren in het spreken over God de Drie-ene en hoe beide zich tot elkaar verhouden
    • De student vertelt in eigen woorden de betekenis van het geloof in de drie-ene God voor de andere geloofsgeheimen van het christelijk geloof
    • De student beschrijft de verschillen en overeenkomsten tussen het spreken van de Bijbel en het spreken van de Koran over Jezus / Isa
  • 19HSTTGO Theologische godsleer en christologie
    WS
    5ec
    32cu
  • 19HBVO2G Oefenen in de praktijk II Geestelijk begeleider
     
    10ec
    64cu
  • 19HSWOND Ondernemerschap
    LV
    5ec
    32cu
  •  
     
    20ec
    128cu
  • Periode 3
  • 19MKGREA Religie en actualiteit
    LV
    5ec
    32cu
    • De student reflecteert op zichzelf in relatie tot tradities die de inhouden van de opleiding bepalen. Met andere woorden: de student ontwikkelt de hermeneutische competentie.
    • De student past de methoden van hermeneutiek toe en kent de filosofische achtergrond van de methoden.
    • De student benoemt de betekenis van hermeneutiek voor de beroepen waarvoor wordt opgeleid.
    • De student kent de verschillende betekenissen van 'hermeneutiek'.
    • De student reflecteert op zichzelf in relatie tot tradities die de inhouden van de opleiding bepalen. Met andere woorden: de student ontwikkelt de hermeneutische competentie.
    • De student reflecteert op zichzelf in relatie tot tradities die de inhouden van de opleiding bepalen. Met andere woorden: de student ontwikkelt de hermeneutische competentie.
    • De student benoemt de betekenis van hermeneutiek voor de beroepen waarvoor wordt opgeleid.
  • 19HWBHER Hermeneutiek
    PR,WS
    5ec
    32cu
  • 19MWBREC Religie en cultuur
    ES,PR,LV
    5ec
    32cu
  • 19MRWRAF Religie als fenomeen
    ST
    5ec
    34cu
  •  
     
    20ec
    130cu

startbekwaamfase

In het vierde jaar van de opleiding is alles er op gericht dat de student daadwerkelijk kan starten in het beroep waartoe wordt opgeleid. De student toont aan dat hij zelfstandig kan opereren binnen het beroepenveld en laat zien dat hij op bachelor niveau de daarbij behorende taken kan uitvoeren.

Studiejaar 2024-2025

  • Periode 1
    • De student interpreteert complexe situaties op basis van filosofische reflectie.
    • De student onderbouwt zijn/haar visie met filosofische argumenten
    • De student formuleert wijsgerige vragen aangaande hermeneutiek en interpretatie, goed en kwaad, zin of betekenis, vrije wil en identiteit.
    • De student interpreteert complexe situaties op basis van filosofische reflectie.
    • De student maakt onderscheid maken tussen interne en externe kritiek.
    • De student stemt filosofische reflectie af op verschillende gesprekspartners, dus filosofeert met kinderen en adolescenten, bewoners van de straat, mensen in uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld militairen die uitgezonden zijn, mensen in penitentiaire i
    • De student formuleert wijsgerige vragen aangaande hermeneutiek en interpretatie, goed en kwaad, zin of betekenis, vrije wil en identiteit.
    • De student ontwikkelt (onderzoeks)vragen op basis van filosofische reflectie.
  • 19SWBBP Filosofie
    BP
    10ec
    52cu
    • Is in staat om enerzijds de bronnen van de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarva
    • Is in staat om vanuit de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • Is in staat om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • Is in staat om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • Is in staat om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit de rooms-katholieke kerk, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • Is in staat om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de rooms-katholieke kerk.
    • Is in staat om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek.
  • 19SBVWPG Werken in de praktijk: Geestelijk begeleider
    ST,OV,PVlg
    10ec
    52cu
  •  
     
    20ec
    104cu
  • Periode 2
  • 19SBWBP Beroepsproduct Bijbel
     
    10ec
    64cu
    • Is in staat om enerzijds de bronnen van de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarva
    • Is in staat om vanuit de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • Is in staat om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • Is in staat om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • Is in staat om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit de rooms-katholieke kerk, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • Is in staat om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de rooms-katholieke kerk.
    • Is in staat om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek.
  • 19SBVWPG Werken in de praktijk: Geestelijk begeleider
    ST,OV,PVlg
    10ec
    52cu
  •  
     
    20ec
    116cu
  • Periode 3
    • De student betrekt relevante actuele discussies bij zijn reflectie op thema’s uit de katholieke dogmatiek
    • De student onderkent en analyseert hedendaagse vragen van zijn doelgroep naar zin en betekenis en anticipeert daarop bij het schrijven van een theologisch beroepsproduct
    • De student verwoordt de inhoud van de katholieke dogmatiek op een voor de doelgroep passende wijze
    • De student legt verbanden tussen verschillende thema’s uit het geheel van de katholieke dogmatiek
    • De student reflecteert op de inhoud van de katholieke dogmatiek met oog op de vraag wat deze betekent voor zijn persoonlijke en beroepsmatige spiritualiteit
    • De student reflecteert op de juiste balans tussen geloof en rede, tussen cognitief en affectief. De student stelt zijn eigen beeld van God of het heilige waar nodig bij.
    • De student geeft de relevante thema’s uit de katholieke dogmatiek weer en brengt deze in gesprek met zijn doelgroep
    • De student reflecteert op de theologische vooronderstellingen van zijn professionele handelen
    • De student reflecteert op de inhoud van de katholieke dogmatiek met oog op de vraag wat deze betekent voor zijn persoonlijke en beroepsmatige spiritualiteit
    • De student reflecteert op de juiste balans tussen geloof en rede, tussen cognitief en affectief. De student stelt zijn eigen beeld van God of het heilige waar nodig bij.
  • 19SSTBP Systematische theologie
    BP
    10ec
    52cu
    • Is in staat om enerzijds de bronnen van de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarva
    • Is in staat om vanuit de rooms-katholieke traditie en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • Is in staat om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • Is in staat om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • Is in staat om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit de rooms-katholieke kerk, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • Is in staat om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de rooms-katholieke kerk.
    • Is in staat om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • Is in staat om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruikmaking van praktijkgericht onderzoek.
  • 19SBVWPG Werken in de praktijk: Geestelijk begeleider
    ST,OV,PVlg
    10ec
    52cu
  •  
     
    20ec
    104cu

Idee en vormgeving Fontys Hogeschool voor de Kunsten. Doorontwikkeling en technische realisatie Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing. © Copyright Fontys Hogescholen.