Logo Fontys Hogeschool Theologie LevensbeschouwingInspiratiesite Lessen Levensbeschouwing

Bachelor Godsdienst-Pastoraal werk (Theologie)

propedeuse

Het eerste jaar van de studie dient om vast te stellen of de student geschikt is om de studie te volgen. In deze fase ori�nteert de student zich op het mogelijke beroep. Hij toont aan dat hij in staat is de studie goed te organiseren en het niveau van de studie aan te kunnen.

Studiejaar 2016-2017

  • Semester 1
    • A.7.2 Verwerkt op correcte wijze bronnen in een eigen tekst.
  • 19PRCL41 Inleiding bijbelwetenschappen
    WS,KT
    5ec
    46cu
  • 19PRCL32 Kerk- en theologiegeschiedenis: inleiding
    KT
    5ec
    46cu
    • A.2.1 handelt in zijn omgang met leerlingen, pastoranten en cliënten op basis van wederzijds respect
    • A.3 onderkent het belang van goede werkverhoudingen met medestudenten en begeleider in het kader van de (brede) levensbeschouwelijke en ethische identiteit van de opleiding.
    • A.3.1 vraagt naar en benut informatie van zijn begeleiders
    • A.3.2 vraagt hulp van en biedt hulp aan medestudenten
    • A.3.3 geeft aan wat hij wel of niet kan
    • A.3.5 maakt afspraken met begeleiders en collega’s (medestudenten en leraren) en houdt zich daaraan
    • A.5.2 beheerst en hanteert vaardigheden als spreken, lezen, schrijven en rekenen (op havo- niveau)
    • A.5.4 toont betrokkenheid bij individuele leerlingen, pastoranten, cliënten en groepen
    • A.6.1 zet zijn voorbereidingen voor eenvoudige activiteit op schrift (draaiboek)
    • A.6.2 kent de te hanteren regels en afspraken en houdt zich daaraan
    • A.6.7 plant eigen werk en maakt werkafspraken met begeleiders, leerlingen, pastoranten en cliënten
    • A.7.2 Verwerkt op correcte wijze bronnen in een eigen tekst.
  • 19PRBP21 Kerkgeschiedenis in het V.O. + beroepsproduct 1
    OT
    5ec
    48cu
    • A.1 is in staat de betekenis van de vakinhouden voor zijn persoonlijke ontwikkeling te formuleren
  • 19PRBO21 Beroepsorientatie
    WS
    2ec
    20cu
    • A.2.11 observeert en beschrijft stagnaties in de levensbeschouwelijke ontwikkeling
    • A.2.5 observeert en beschrijft de levensbeschouwing van enkele leerlingen, pastoranten en cliënten
    • A.2.7 observeert en beschrijft het sociale klimaat in een groep
  • 19PRVL21 Observeren
    OT
    1ec
    20cu
    • A.5.1 communiceert adequaat door het hanteren van verbale (bijv. volume, tempo, articulatie, melodie) en non-verbale technieken (bijv. mimiek, uiterlijk, lichaamshouding)
  • 19PRVL12 Presentatievaardigheden
    PR
    1ec
    24cu
    • A.1.1 beschrijft de eigen kwaliteit en beperkingen
    • A.1.14 kan in voldoende mate reflecteren op zijn studie en leerstijl om zijn bekwaamheid te kunnen ontwikkelen
    • A.1.4 werkt op een planmatige manier aan zijn eigen ontwikkeling
    • A.1.7 staat open voor andere visies en ideeën
    • A.5 onderkent het belang van een open leef en werkklimaat dat een vriendelijke en cooperatieve sfeer bevordert
  • 19PRVL11 Studievaardigheden
    LV
    1ec
    42cu
    • A.1 is in staat de betekenis van de vakinhouden voor zijn persoonlijke ontwikkeling te formuleren
    • A.1.14 kan in voldoende mate reflecteren op zijn studie en leerstijl om zijn bekwaamheid te kunnen ontwikkelen
    • A.1.15 is in staat enigermate te reflecteren op studie, leerstijl en persoonlijke ontwikkeling in het perspectief van de eigen levensvisie en ethische visie
    • A.1.2 reflecteert op eigen gedrag en betrekt in zijn reflectie de feedback van anderen
    • A.1.4 werkt op een planmatige manier aan zijn eigen ontwikkeling
    • A.1.7 staat open voor andere visies en ideeën
    • A.4 onderkent het belang van contacten met naasten van pastoranten of clienten, met ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers en met collegas van (leer)bedrijven en instellingen.
    • A.4.1 maakt een adequaat verslag van bijgewoonde gesprekken
    • A.4.3 verkent en beschrijft relaties van zijn instelling met andere belanghebbenden, zoals
      geïnstitutionaliseerde levensbeschouwingen
    • A.5.13 kan enkele communicatielijnen en –vormen die deel uit maken van de rol en taken van docent, pastor en geestelijk verzorger beschrijven
    • A.5.14 beheerst de moderne communicatiemiddelen zoals tekstverwerking, email en webportal voor het eigen studeren
    • A.6 hanteert een voor zichzelf bruikbare vorm van timemanagement met betrekking tot de uit te voeren taken en afspraken zowel binnen de opleiding als binnen de organisaties waar hij stage loopt
    • A.6.2 kent de te hanteren regels en afspraken en houdt zich daaraan
    • A.6.4 stelt prioriteiten en verdeelt de beschikbare tijd efficiënt voor zichzelf
    • A.6.7 plant eigen werk en maakt werkafspraken met begeleiders, leerlingen, pastoranten en cliënten
  • 19PRCL21 Inleiding sociale wetenschappen
    KT,ES
    5ec
    46cu
    • A.1 is in staat de betekenis van de vakinhouden voor zijn persoonlijke ontwikkeling te formuleren
    • A.5.11 kan het levensbeschouwelijke verhaal bij een ander herkennen
  • 19PRCL11 Religies en levensbeschouwingen
    KT,ES
    5ec
    46cu
  •  
     
    30ec
    338cu
  • Semester 2
    • A.1 is in staat de betekenis van de vakinhouden voor zijn persoonlijke ontwikkeling te formuleren
  • 19PRCL31 Geloof op zoek naar inzicht
    KT
    5ec
    46cu
    • A.7 Onderkent het belang van het kunnen uitvoeren van kleinschalig praktijkgericht en toegepast onderzoek voor het beroep waar hij voor wordt opgeleid. Hij heeft zicht op wat het betekent een onderzoekshouding in te nemen. Hij weet wat in een wetenschappelijke tekst probleemstelling, vraagstelling, doelstelling en methode is en weet deze van elkaar te onderscheiden en met elkaar te verbinden. Dit alles onder begeleiding.
  • 19PRCL33 Praktische theologie
    WS
    5ec
    44cu
    • A.1 is in staat de betekenis van de vakinhouden voor zijn persoonlijke ontwikkeling te formuleren
    • A.3.1 vraagt naar en benut informatie van zijn begeleiders
    • A.3.2 vraagt hulp van en biedt hulp aan medestudenten
    • A.5.3 bevordert communicatie door te luisteren en samen te vatten
    • A.7.2 Verwerkt op correcte wijze bronnen in een eigen tekst.
    • A.7.3 Herkent een probleemstelling in een wetenschappelijke tekst
    • A.7.4 Herkent een vraagstelling in een wetenschappelijke tekst
    • A.7.8 Brengt het belang onder woorden van het aannemen van een onderzoekshouding ten
      opzichte van een (wetenschappelijke) tekst of casusbeschrijving
  • 19PRCL42 Inleiding filosofie en ethiek
    KT
    5ec
    46cu
    • A.1.1 beschrijft de eigen kwaliteit en beperkingen
    • A.1.14 kan in voldoende mate reflecteren op zijn studie en leerstijl om zijn bekwaamheid te kunnen ontwikkelen
    • A.1.2 reflecteert op eigen gedrag en betrekt in zijn reflectie de feedback van anderen
    • A.1.3 weet aan te geven op welke punten de eigen competentie(ontwikkeling) verbeterd kan worden
    • A.2.10 verwoordt het belang van eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de leerlingen, pastoranten en cliënten
    • A.5.13 kan enkele communicatielijnen en –vormen die deel uit maken van de rol en taken van docent, pastor en geestelijk verzorger beschrijven
    • A.5.16 kan in een verbatim of trainingssituatie het verhaal van de leerling, pastorant of cliënt weergeven zonder vooringenomenheid en eigen oordeel
  • 19PRVL31 Gespreksvaardigheden
    LV
    1ec
    28cu
    • A.1 is in staat de betekenis van de vakinhouden voor zijn persoonlijke ontwikkeling te formuleren
    • A.1.1 beschrijft de eigen kwaliteit en beperkingen
    • A.1.12 kan aan de hand van de interviews met beroepsbeoefenaren aangeven hoe deze hun werk ervaren en kan dit verbinden met zijn eigen beroepsperspectief
    • A.3.1 vraagt naar en benut informatie van zijn begeleiders
    • A.5.1 communiceert adequaat door het hanteren van verbale (bijv. volume, tempo, articulatie, melodie) en non-verbale technieken (bijv. mimiek, uiterlijk, lichaamshouding)
    • A.5.4 toont betrokkenheid bij individuele leerlingen, pastoranten, cliënten en groepen
    • A.6.1 zet zijn voorbereidingen voor eenvoudige activiteit op schrift (draaiboek)
  • 19PRST31 Stage propedeuse
    ST
    2ec
    8cu
    • A.5.4 toont betrokkenheid bij individuele leerlingen, pastoranten, cliënten en groepen
  • 19PRVL32 Stemgebruik
    SI,PR
    1ec
    16cu
    • A.5 onderkent het belang van een open leef en werkklimaat dat een vriendelijke en cooperatieve sfeer bevordert
    • A.6.2 kent de te hanteren regels en afspraken en houdt zich daaraan
  • 19PRAS41 Studieloopbaanbegeleiding incl assessmentvoorbereiding
    AS
    1ec
    30cu
    • A.1.11 kan het eigen religieuze levensverhaal vertellen en een bijzondere ervaring daarin een plaats geven
    • A.5.1 communiceert adequaat door het hanteren van verbale (bijv. volume, tempo, articulatie, melodie) en non-verbale technieken (bijv. mimiek, uiterlijk, lichaamshouding)
    • A.5.11 kan het levensbeschouwelijke verhaal bij een ander herkennen
    • A.5.3 bevordert communicatie door te luisteren en samen te vatten
    • A.7.1 Benoemt het verschil tussen probleemstelling, vraagstelling en doelstelling.
  • 19PRBP42 God ter sprake + beroepsproduct 2
    OT
    5ec
    48cu
  • 19PRCL12 Inleiding spiritualiteit en bronnen
    WS
    5ec
    44cu
  •  
     
    30ec
    310cu

hoofdfase

In het tweede en derde jaar gaat het er om dat de student aantoont geschikt te zijn voor de uitoefening van het beroep waarvoor de opleiding opleidt. In onder meer stage en trainingen bewijst de student deze geschiktheid.

Studiejaar 2017-2018

  • Semester 2
  • 19HFSTOI Oecumenica en interreligieuze dialoog
    KT
    5ec
    34cu
  • 19HFPTCP Categoriaal pastoraat
    PR,LV
    2ec
    16cu
    • B.3.1 Is in staat de kernelementen van een viering te beschrijven
    • B.3.2 Is in staat onderscheid te maken tussen verschillende vormen van vieringen
    • B.3.4 Is in staat het belang van de kerkelijke jaarcyclus aan te geven
    • B.3.5 Kan symbolen en rituelen binnen en buiten de geloofsgemeenschap herkennen en beschrijven
    • B.3.6 Kan onder begeleiding van een pastorale professional een viering van geloof voorbereiden en er aan meewerken
    • B.3.8 Is in staat een liturgieboekje voor de viering te maken
  • 19HFPTLI Liturgie
    CT
    2ec
    16cu
    • B.0.1 reproduceert door onderwijs of literatuur aangereikte kennis correct en adequaat,vat in eigen woorden samen, en past toe in nieuwe contexten.
    • B.0.2. Maakt gebruikt van deze bij het maken van beroepsproducten.
  • 19HFPROG Observeren GPW
    ST,WS
    2ec
    20cu
  • 19HFBWJP Exegese NT: Johannes en Paulus
    WS
    5ec
    32cu
  • 19HFBWGP Exegese OT: Geschriften en psalmen
    KT,WS
    5ec
    32cu
  • 19HFWBGW Geschiedenis van de wijsbegeerte
    OT
    3ec
    26cu
    • B.1 De student onderkent het belang van geloofsverwoording i.h.a. en in het christendom in het bijzonder. Hij onderkent de bijzondere betekenis van de christelijke traditie in de westerse cultuur. Hij herkent en benoemt de interactie tussen de geloofstraditie, een actuele situatie en een religieuze tekst en/of religieuze ervaring, aan de hand van een kunsthistorische afbeelding en een actuele praktijksituatie.
    • B.1.1 Kan wat betreft levensbeschouwelijke vragen, deze vragen van mensen onderkennen
    • B.1.2 Kan wat betreft levensbeschouwelijke vragen, deze vragen verhelderen
    • B.2.1 Kan het onderscheid duidelijk maken tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en pastoraat;
    • B.2.2 Kan gebruik maken van verschillende passende vormen van gesprekstechniek
    • B.2.3 Kan pastorale gesprekken initiëren en afronden
    • B.2.4 Kan in een verbatim het verhaal van de pastorant weergeven zonder vooringenomenheid en eigen oordeel;
    • B.3.1 Is in staat de kernelementen van een viering te beschrijven
    • B.3.2 Is in staat onderscheid te maken tussen verschillende vormen van vieringen
    • B.4.1 Kan planmatig en doelgericht werken
    • B.4.3 Kan feedback geven en staat open voor het ontvangen van feedback
    • B.4.4 kan op gestructureerde wijze voorgenomen plannen en activiteiten uitvoeren
    • B.4.5 Toetst eigen handelen aan vooraf opgestelde eisen
    • B.5.2 Ontwerpt betekenisvolle leeractiviteiten
    • B.5.3 Staat open voor reflectie en feedback van de lerende(n) en is flexibel in het aanpassen van leeractiviteiten
    • B.5.4 Speelt in op groepsdynamische processen
    • B.5.5 Kan onder begeleiding bestaand catechetisch materiaal afstemmen op een specifieke doelgroep
    • B.6.3 Vertolkt op respectvolle wijze de eigen religieuze traditie in gesprek met personen die deze traditie niet delen
    • B.6.4 Legt contacten met mensen van buiten de eigen geloofsgemeenschap
    • B.8.3 Kan onder woorden brengen vanuit welke spiritualiteit hij werkt
    • B.8.4 Analyseert het eigen functioneren en heeft daardoor een goed beeld van zijn/haar competenties en blijft planmatig werken aan de ontwikkeling ervan;
    • B.8.5 Reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling
  • 19HFBSTG Stage GPW hoofdfase
    LV
    5ec
    0cu
  • 19HFBSLA Studieloopbaanbegeleiding jaar 2
    LV
    1ec
    8cu
  •  
     
    30ec
    184cu

Studiejaar 2018-2019

  • Semester 1
    • B.1 De student onderkent het belang van geloofsverwoording i.h.a. en in het christendom in het bijzonder. Hij onderkent de bijzondere betekenis van de christelijke traditie in de westerse cultuur. Hij herkent en benoemt de interactie tussen de geloofstraditie, een actuele situatie en een religieuze tekst en/of religieuze ervaring, aan de hand van een kunsthistorische afbeelding en een actuele praktijksituatie.
  • 19HFBWSH Exegese NT: Synoptici en handelingen
    WS
    5ec
    32cu
  • 19HFKGPT Patristiek
    WS,KT,PR
    5ec
    32cu
    • B.1 De student onderkent het belang van geloofsverwoording i.h.a. en in het christendom in het bijzonder. Hij onderkent de bijzondere betekenis van de christelijke traditie in de westerse cultuur. Hij herkent en benoemt de interactie tussen de geloofstraditie, een actuele situatie en een religieuze tekst en/of religieuze ervaring, aan de hand van een kunsthistorische afbeelding en een actuele praktijksituatie.
    • B.1.3 Kan wat betreft levensbeschouwelijke vragen, deze in verband brengen met godsdienstige bronnen en tradities
  • 19HFWBWE Wijsgerige ethiek
    WS
    5ec
    32cu
    • B.6.1 Is in staat relaties van de eigen instelling, parochie of organisatie met andere geïnstitutionaliseerde levensbeschouwingen te verkennen en te beschrijven
    • B.6.2 Is betrokken op en heeft actuele kennis van maatschappelijke en (multi)culturele ontwikkelingen in de plaatselijke en Nederlandse context
  • 19HFSWGS Godsdienstsociologie en -psychologie
    KT
    5ec
    32cu
    • M.2.6 doet recht aan levensbeschouwelijke overeenkomsten en verschillen tussen pastoranten /cliënten en tussen medewerkers en pastoranten /cliënten.
  • 19AFRWJI Jodendom en Islam
    KT
    5ec
    34cu
    • B.0. De student beschikt over kennis van de centrale thema’s, concepten, theorieën en methodes van de verschillende vakgebieden van de theologie. Dit betreft de volgende disciplines: systematische theologie, praktische theologie, wijsbegeerte, bijbelwetenschap, kerkgeschiedenis, sociale wetenschappen (i.c. godsdienstsociologie en –psychologie) en religiewetenschappen, met als bijzondere aandachtsvelden cultuurwetenschap, spiritualiteit en ethiek.
    • B.0.1 reproduceert door onderwijs of literatuur aangereikte kennis correct en adequaat,vat in eigen woorden samen, en past toe in nieuwe contexten.
    • B.8.7 Verantwoordt zijn/haar gemaakte keuzes
  • 19HFCRCR Inleiding canoniek recht
    KT
    5ec
    34cu
  •  
     
    30ec
    196cu
  • Semester 2
    • B.1 De student onderkent het belang van geloofsverwoording i.h.a. en in het christendom in het bijzonder. Hij onderkent de bijzondere betekenis van de christelijke traditie in de westerse cultuur. Hij herkent en benoemt de interactie tussen de geloofstraditie, een actuele situatie en een religieuze tekst en/of religieuze ervaring, aan de hand van een kunsthistorische afbeelding en een actuele praktijksituatie.
  • 19HFSTTG Theologische godsleer en christologie
    KT
    5ec
    34cu
    • B.4.1 Kan planmatig en doelgericht werken
    • B.4.2 Kan proces- en taakgericht denken en werken
    • B.4.3 Kan feedback geven en staat open voor het ontvangen van feedback
    • B.5.1 Kan voor diverse individuen en groepen leer- en ontwikkelingsdoelen formuleren
    • B.5.2 Ontwerpt betekenisvolle leeractiviteiten
    • B.5.3 Staat open voor reflectie en feedback van de lerende(n) en is flexibel in het aanpassen van leeractiviteiten
    • B.5.6 Kan een relatie leggen tussen actuele bestaanservaringen en de geloofsverhalen uit Schrift en Traditie
    • B.8.2 Weet bij zijn ontwikkeling gebruik te maken van feedback van begeleiders en medestudenten bijvoorbeeld tijdens intervisie of groepssupervisie
    • B.8.7 Verantwoordt zijn/haar gemaakte keuzes
  • 19HFPTPC Parochiecatechese
    PR,WS
    2ec
    16cu
    • B.4.2 Kan proces- en taakgericht denken en werken
    • B.4.3 Kan feedback geven en staat open voor het ontvangen van feedback
  • 19HFPTWG Werken in en met groepen
    CT
    2ec
    16cu
  • 19HFBWTP Exegese OT: Tora en Vroege Profeten
    WS,KT
    5ec
    32cu
    • B.1.3 Kan wat betreft levensbeschouwelijke vragen, deze in verband brengen met godsdienstige bronnen en tradities
    • B.4.4 kan op gestructureerde wijze voorgenomen plannen en activiteiten uitvoeren
    • B.4.7 Beheerst moderne communicatiemiddelen (tekstverwerking; email; audiovisuele media enz) en kan ze toepassen
    • B.6.1 Is in staat relaties van de eigen instelling, parochie of organisatie met andere geïnstitutionaliseerde levensbeschouwingen te verkennen en te beschrijven
    • B.6.2 Is betrokken op en heeft actuele kennis van maatschappelijke en (multi)culturele ontwikkelingen in de plaatselijke en Nederlandse context
    • B.6.3 Vertolkt op respectvolle wijze de eigen religieuze traditie in gesprek met personen die deze traditie niet delen
  • 19HFKGKT Kerk- en theologiegeschiedenis: capita
    WS,KT
    5ec
    32cu
    • B.3.3 Is in staat de confessionele achtergrond van diverse typen vieringen te herkennen
  • 19HFWBSF Systematische filosofie
    WS
    5ec
    32cu
    • B.1 De student onderkent het belang van geloofsverwoording i.h.a. en in het christendom in het bijzonder. Hij onderkent de bijzondere betekenis van de christelijke traditie in de westerse cultuur. Hij herkent en benoemt de interactie tussen de geloofstraditie, een actuele situatie en een religieuze tekst en/of religieuze ervaring, aan de hand van een kunsthistorische afbeelding en een actuele praktijksituatie.
    • B.1.1 Kan wat betreft levensbeschouwelijke vragen, deze vragen van mensen onderkennen
    • B.1.2 Kan wat betreft levensbeschouwelijke vragen, deze vragen verhelderen
    • B.2.1 Kan het onderscheid duidelijk maken tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en pastoraat;
    • B.2.2 Kan gebruik maken van verschillende passende vormen van gesprekstechniek
    • B.2.3 Kan pastorale gesprekken initiëren en afronden
    • B.2.4 Kan in een verbatim het verhaal van de pastorant weergeven zonder vooringenomenheid en eigen oordeel;
    • B.3.1 Is in staat de kernelementen van een viering te beschrijven
    • B.3.2 Is in staat onderscheid te maken tussen verschillende vormen van vieringen
    • B.4.1 Kan planmatig en doelgericht werken
    • B.4.3 Kan feedback geven en staat open voor het ontvangen van feedback
    • B.4.4 kan op gestructureerde wijze voorgenomen plannen en activiteiten uitvoeren
    • B.4.5 Toetst eigen handelen aan vooraf opgestelde eisen
    • B.5.2 Ontwerpt betekenisvolle leeractiviteiten
    • B.5.3 Staat open voor reflectie en feedback van de lerende(n) en is flexibel in het aanpassen van leeractiviteiten
    • B.5.4 Speelt in op groepsdynamische processen
    • B.5.5 Kan onder begeleiding bestaand catechetisch materiaal afstemmen op een specifieke doelgroep
    • B.6.3 Vertolkt op respectvolle wijze de eigen religieuze traditie in gesprek met personen die deze traditie niet delen
    • B.6.4 Legt contacten met mensen van buiten de eigen geloofsgemeenschap
    • B.8.3 Kan onder woorden brengen vanuit welke spiritualiteit hij werkt
    • B.8.4 Analyseert het eigen functioneren en heeft daardoor een goed beeld van zijn/haar competenties en blijft planmatig werken aan de ontwikkeling ervan;
    • B.8.5 Reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling
  • 19HFBSTG Stage GPW hoofdfase
    LV
    5ec
    20cu
    • B.4.1 Kan planmatig en doelgericht werken
    • B.4.2 Kan proces- en taakgericht denken en werken
    • B.4.3 Kan feedback geven en staat open voor het ontvangen van feedback
    • B.4.4 kan op gestructureerde wijze voorgenomen plannen en activiteiten uitvoeren
    • B.4.5 Toetst eigen handelen aan vooraf opgestelde eisen
    • B.8.1 Kan in ruime mate reflecteren op zijn studie en leerstijl om daarmee zijn bekwaamheid verder ten ontwikkelen
    • B.8.2 Weet bij zijn ontwikkeling gebruik te maken van feedback van begeleiders en medestudenten bijvoorbeeld tijdens intervisie of groepssupervisie
    • B.8.3 Kan onder woorden brengen vanuit welke spiritualiteit hij werkt
    • B.8.4 Analyseert het eigen functioneren en heeft daardoor een goed beeld van zijn/haar competenties en blijft planmatig werken aan de ontwikkeling ervan;
    • B.8.5 Reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling
    • B.8.6 Toont relativeringsvermogen en kent zijn/haar grenzen
    • B.8.7 Verantwoordt zijn/haar gemaakte keuzes
  • 19HFBSLB Studieloopbaanbegeleiding jaar 3
    AS
    1ec
    10cu
  •  
     
    30ec
    192cu

startbekwaamfase

In het vierde jaar van de opleiding is alles er op gericht dat de student daadwerkelijk kan starten in het beroep waartoe wordt opgeleid. De student toont aan dat hij zelfstandig kan opereren binnen het beroepenveld en laat zien dat hij op bachelor niveau de daarbij behorende taken kan uitvoeren.

Studiejaar 2019-2020

  • Semester 1
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden.
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen.
    • A.1.a Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze tradi-tie en de actuele situatie.
    • A.1.b Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en le-vensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • A.1.c Duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • A.1.d Heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • A.1.e Reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
    • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • A.4.a Maakt gebruik van symbolen, beelden en voorbeelden om levensbeschouwelijke onderwerpen ter sprake te brengen en uit te leggen.
    • A.4.d Schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • B.4.a Heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
  • 19SSTBP Systematische theologie
    BP
    5ec
    20cu
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden.
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen.
    • A.1.1 Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze traditie
      en de actuele situatie.
    • A.1.2 Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en levensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • A.1.3 Duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • A.1.4 Heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • A.1.5 Reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de
      huidige cultuur en samenleving.
    • A.2 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • A.2 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • A.2.1 Analyseert bestaande situaties samen met betrokkenen en maakt op basis van de analyse een samenhangend ontwerp/plan ter verbetering, dan wel een ontwerp/plan hoe present te zijn indien verbetering niet mogelijk lijkt.
    • A.2.2 Stelt evaluatiecriteria op en reflecteert regelmatig op product en proces van uitvoering, daarbij gebruik makend van de feedback van hen die begeleid worden en andere betrokkenen.
    • A.2.3 Appelleert aan het zelf oplossend vermogen van hen die begeleid worden en hun netwerk en maakt mensen
      bewust van hun individuele situatie en hun rol in geloofsgemeenschappen of andere sociale verbanden.
    • A.2.4 Faciliteert een leeromgeving of geeft leeractiviteiten vorm ten behoeve van leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
    • A.2.5 Verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
    • A.2.6 Gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
    • A.3 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit te re-flecteren op attitude, identiteit en handelen in beroepssitua-ties en om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen
    • A.3 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit te reflecteren op attitude, identiteit en handelen in beroepssituaties en om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen.
    • A.3.1 Toont de volgende kernkwaliteiten:
      • levensbeschouwelijk sensitief 
      • integer en authentiek 
      • enthousiast en overtuigend
      • communicatief en samenwerkend
      • verantwoordelijk
      • reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames
    • A.3.2 Is in staat kritisch te reflecteren op religieuze tradities of stromingen, bijbehorende geschriften, gebruiken en symbolen en weet die op waarde te schatten.
    • A.3.3 Geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn professionele identiteit.
    • A.3.4 Reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling.
    • A.3.5 Toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
    • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te com-municeren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal alsnon-verbaal.
    • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • A.4.1 Maakt gebruik van symbolen, beelden en voorbeelden om levensbeschouwelijke onderwerpen ter sprake te brengen en uit te leggen.
    • A.4.2 Luistert naar signalen van individuen, groepen en (geloofs)gemeenschappen, probeert deze te ver- staan en vraagt waar nodig om verduidelijking.
    • A.4.3 Is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme
      onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
    • A.4.4 Schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • A.4.5 Kiest de juiste communicatie passend bij de doelgroep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
    • A.5 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • B.1 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verant-woorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieu-ze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • B.1 Het vermogen om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit een (kerkelijke) organisatie, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • B.1.1 Hanteert het onderscheid tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en geestelijke begeleiding/ pastoraat.
    • B.1.2 Verleent pastorale zorg/geestelijke begeleiding vanuit het zicht op wat nodig is en refereert aan religieuze en/of levensbeschouwelijke bronnen en traditie.
    • B.1.3 Hanteert verschillende pastorale gesprekstechnieken gericht op geestelijke begeleiding en stelt adequate diagnoses.
    • B.1.4 Herkent en hanteert grenzen binnen het eigen professionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwijzen naar derden.
    • B.1.5 Heeft inzicht in menselijk gedrag, psychologische en geestelijke processen met specifieke aandacht voor de verhouding tot het transcendente.
    • B.2 Het vermogen om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
    • B.2.1 Geeft, op een bij de context passende wijze, vorm aan een viering of ritueel samen met anderen

    • B.2.2 Maakt op een bij de context passende wijze gebruik van rituele en/of liturgische tradities
    • B.2.3 Formuleert passende gebeden en rituele/liturgische teksten
    • B.2.4 Handelt ritueel stijlvol en gaat op een authentieke wijze voor
    • B.3 Het vermogen om de eigen religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit met anderen te delen in woorden en daden en op een open en uitnodigende wijze dienstbaar aanwezig te zijn in de samenleving
    • B.3 Het vermogen om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • B.3.1 Is betrokken op en aanwezig in de samenleving en heeft actuele kennis van maatschappelijke ontwikkelingen in een globale en multireligieuze context
    • B.3.2 Verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving
    • B.3.3 Levert op een respectvolle wijze een bijdrage aan een interreligieuze dialoog
    • B.3.4 Bevordert een missionair-diaconale houding bij anderen
    • B.4 Het vermogen om een rijke leeromgeving voor individuen en groepen te creëren en om leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s te faciliteren
    • B.4 Het vermogen om een bijdrage te leveren aan de ontwikke-ling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruik-making van praktijkgericht onderzoek.
    • B.4.1 Stelt voor diverse individuen en groepen leer- en ontwikkelingsdoelen vast al dan niet in samenwerking met betrokkenen
    • B.4.2 Verdiept zich in de beginsituatie van de lerende(n) en herkent religieuze en/of levensbeschouwelijke ontwikkelingen en ervaringen en kiest samen met lerenden op basis daarvan de leerinhoud en werk- vormen
    • B.4.4 Staat open voor reflectie en feedback van de lerende(n) en is flexibel in het aanpassen van de leeractiviteiten
  • 19SBVWPG Werken in de praktijk: Geestelijk begeleider
    ST,OV,PVlg
    15ec
    73cu
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen.
    • A.1.a Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze tradi-tie en de actuele situatie.
    • A.1.b Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en le-vensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • A.1.c Duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • A.1.d Heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • A.1.e Reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
    • A.2.d Faciliteert een leeromgeving of geeft leeractivitei-ten vorm ten behoeve van leer- en vormingspro-cessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
    • A.2.e Verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of le-vensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
    • A.2.f Gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
    • A.3 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit te reflecteren op attitude, identiteit en handelen in beroepssituaties en om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen.
    • A.3.a

      Toont de volgende kernkwaliteiten:

      • levensbeschouwelijk sensitief
      • integer en authentiek
      • enthousiast en overtuigend
      • communicatief en samenwerkend
      • verantwoordelijk
      • reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames
    • A.3.c Geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn profes-sionele identiteit.
    • A.3.e Toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
    • A.4.c Is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
    • A.4.d Schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • A.4.f Kiest de juiste communicatie passend bij de doel-groep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
    • A.5 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • A.5.b Verleent pastorale zorg/geestelijke begeleiding van-uit het zicht op wat nodig is en refereert aan religieu-ze en/of levensbeschouwelijke bronnen en traditie.
    • A.5.d Herkent en hanteert grenzen binnen het eigen pro-fessionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwij-zen naar derden.
    • B.1.c Draagt constructief en loyaal-kritisch bij aan het formuleren en behalen van gemeenschappelijke doelen in organisaties en samenwerkingsverbanden en stimuleert hierbij (voor zover van toepassing) de identiteit van de organisatie.
    • B.1.d Levert een actieve bijdrage aan (vernieuwings-)pro-jecten door het doen van praktijkgericht onderzoek naar aanleiding van gesignaleerde vragen of knel-punten, door het vertalen van de resultaten daarvan in praktische aanbevelingen, en door het (initiëren van) de implementatie daarvan.
    • B.2 Het vermogen om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
    • B.2.a Bevordert brede samenwerking, zowel met professionals als met vrijwilligers, en werkt in teamverband.
    • B.2.b Motiveert tot samenwerking met collega’s en vrijwilligers en met andere organisaties en instellingen.
    • B.2.c Organiseert activiteiten met verschillende doelgroepen, brengt diverse opvattingen met elkaar in gesprek en begeleidt interreligieuze ontmoetingen.
    • B.3 Het vermogen om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • B.3.a Draagt verantwoordelijkheid voor en geeft transparant, integer en dienstbaar leiding aan geloofs-en zingevingsprocessen bij individuen en groepen.
    • B.3.b Is zich bewust van de voorbeeldfunctie die een leider heeft en handelt hier ook naar.
    • B.4.a Heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
    • C.7.2 Kan heldere teksten schrijven met een duidelijke structuur en opbouw
  • 19SMTBP Moraaltheologie
    LV,OV,CT
    10ec
    52cu
  •  
     
    30ec
    145cu
  • Semester 2
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden.
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen.
    • A.1.a Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze tradi-tie en de actuele situatie.
    • A.1.b Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en le-vensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • A.1.c Duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • A.1.d Heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • A.1.e Reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de huidige cultuur en samenleving.
    • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • A.4.a Maakt gebruik van symbolen, beelden en voorbeelden om levensbeschouwelijke onderwerpen ter sprake te brengen en uit te leggen.
    • A.4.d Schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • B.4.a Heeft een eigen visie op het beroep, op basis van theologische inzichten, eigen levensovertuiging en ervaringen in de beroepsuitoefening.
  • 19SSTBP Systematische theologie
    BP
    5ec
    20cu
    • A.1.1 Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze traditie
      en de actuele situatie.
    • A.1.2 Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en levensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • B.1 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verant-woorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieu-ze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
  • 19SWBBP Filosofie
    BP
    10ec
    52cu
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden.
    • A.1 Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen.
    • A.1.1 Legt op methodische wijze verbanden (theoretische en praktische) tussen een specifieke religieuze traditie
      en de actuele situatie.
    • A.1.2 Brengt hedendaagse levensbeschouwelijke vragen van mensen in verbinding met de religieuze en levensbeschouwelijke tradities en geeft daaraan een levensbeschouwelijke interpretatie.
    • A.1.3 Duidt maatschappelijke en culturele processen in het licht van een specifieke religieuze traditie.
    • A.1.4 Heeft inzicht in de eigen referentiekaders en in die van anderen.
    • A.1.5 Reflecteert op en legt verbinding (theoretisch en praktisch) tussen een specifieke religieuze traditie en de
      huidige cultuur en samenleving.
    • A.2 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • A.2 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit op een bewuste, doelgerichte, procesmatige en systematische wijze (samen) te werken aan verandering.
    • A.2.1 Analyseert bestaande situaties samen met betrokkenen en maakt op basis van de analyse een samenhangend ontwerp/plan ter verbetering, dan wel een ontwerp/plan hoe present te zijn indien verbetering niet mogelijk lijkt.
    • A.2.2 Stelt evaluatiecriteria op en reflecteert regelmatig op product en proces van uitvoering, daarbij gebruik makend van de feedback van hen die begeleid worden en andere betrokkenen.
    • A.2.3 Appelleert aan het zelf oplossend vermogen van hen die begeleid worden en hun netwerk en maakt mensen
      bewust van hun individuele situatie en hun rol in geloofsgemeenschappen of andere sociale verbanden.
    • A.2.4 Faciliteert een leeromgeving of geeft leeractiviteiten vorm ten behoeve van leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s.
    • A.2.5 Verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving en zet hen waar nodig aan tot actie.
    • A.2.6 Gaat op een professionele en oplossingsgerichte wijze om met weerstanden; durft te confronteren en te corrigeren, verzoent en stimuleert.
    • A.3 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeen-schap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit te re-flecteren op attitude, identiteit en handelen in beroepssitua-ties en om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen
    • A.3 Het vermogen om vanuit een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit te reflecteren op attitude, identiteit en handelen in beroepssituaties en om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen.
    • A.3.1 Toont de volgende kernkwaliteiten:
      • levensbeschouwelijk sensitief 
      • integer en authentiek 
      • enthousiast en overtuigend
      • communicatief en samenwerkend
      • verantwoordelijk
      • reflexief ten aanzien van eigen (geloofs)aannames
    • A.3.2 Is in staat kritisch te reflecteren op religieuze tradities of stromingen, bijbehorende geschriften, gebruiken en symbolen en weet die op waarde te schatten.
    • A.3.3 Geeft evenwichtig en op een authentieke, integere en ethisch verantwoorde wijze vorm aan zijn professionele identiteit.
    • A.3.4 Reflecteert op de eigen religieuze en spirituele ontwikkeling.
    • A.3.5 Toont relativeringsvermogen en kent zijn grenzen.
    • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te com-municeren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal alsnon-verbaal.
    • A.4 Het vermogen om adequaat en doelgroepgericht te communiceren met individuen, groepen, organisaties en in netwerken, zowel mondeling als schriftelijk, verbaal als non-verbaal, waar van toepassing ook in de specifieke context van een viering of ritueel.
    • A.4.1 Maakt gebruik van symbolen, beelden en voorbeelden om levensbeschouwelijke onderwerpen ter sprake te brengen en uit te leggen.
    • A.4.2 Luistert naar signalen van individuen, groepen en (geloofs)gemeenschappen, probeert deze te ver- staan en vraagt waar nodig om verduidelijking.
    • A.4.3 Is in staat een dialoog te voeren waarbij eigen standpunten en beslissingen overtuigend en met enthousiasme
      onder woorden kunnen worden gebracht en toont hierbij respect voor de ander.
    • A.4.4 Schrijft heldere teksten met een duidelijke structuur en opbouw.
    • A.4.5 Kiest de juiste communicatie passend bij de doelgroep en maakt daarbij gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
    • A.5 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verantwoorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieuze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • B.1 Het vermogen om mensen, individueel en groepsgewijs, vanuit een contextuele optiek en op hermeneutisch verant-woorde wijze te ondersteunen in het omgaan met religieu-ze en levensvragen in zeer uiteenlopende situaties.
    • B.1 Het vermogen om zorg te dragen voor de organisatorische zaken die samenhangen met het werken in of vanuit een (kerkelijke) organisatie, instelling en ook in meer dynamische contexten waaronder in vrijgevestigde praktijken.
    • B.1.1 Hanteert het onderscheid tussen een gewoon gesprek, hulpverlening en geestelijke begeleiding/ pastoraat.
    • B.1.2 Verleent pastorale zorg/geestelijke begeleiding vanuit het zicht op wat nodig is en refereert aan religieuze en/of levensbeschouwelijke bronnen en traditie.
    • B.1.3 Hanteert verschillende pastorale gesprekstechnieken gericht op geestelijke begeleiding en stelt adequate diagnoses.
    • B.1.4 Herkent en hanteert grenzen binnen het eigen professionele handelen, weet de professionele balans tussen afstand en nabijheid te behouden en kan op basis van eigen analyse waar nodig passend verwijzen naar derden.
    • B.1.5 Heeft inzicht in menselijk gedrag, psychologische en geestelijke processen met specifieke aandacht voor de verhouding tot het transcendente.
    • B.2 Het vermogen om samen te werken met collega’s en andere betrokkenen of doelgroepen, zowel binnen als buiten de (kerkelijke of levensbeschouwelijke) organisatie.
    • B.2.1 Geeft, op een bij de context passende wijze, vorm aan een viering of ritueel samen met anderen

    • B.2.2 Maakt op een bij de context passende wijze gebruik van rituele en/of liturgische tradities
    • B.2.3 Formuleert passende gebeden en rituele/liturgische teksten
    • B.2.4 Handelt ritueel stijlvol en gaat op een authentieke wijze voor
    • B.3 Het vermogen om de eigen religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit met anderen te delen in woorden en daden en op een open en uitnodigende wijze dienstbaar aanwezig te zijn in de samenleving
    • B.3 Het vermogen om individuen (professionals en vrijwilligers), groepen, (geloofs)gemeenschappen en organisaties dienstbaar te leiden en te begeleiden op religieus en/of levensbeschouwelijk gebied, gericht op doelen die samenhangen met identiteit.
    • B.3.1 Is betrokken op en aanwezig in de samenleving en heeft actuele kennis van maatschappelijke ontwikkelingen in een globale en multireligieuze context
    • B.3.2 Verbindt op reflectieve wijze religieuze en/of levensbeschouwelijke gemeenschappen met de ontwikkelingen in de samenleving
    • B.3.3 Levert op een respectvolle wijze een bijdrage aan een interreligieuze dialoog
    • B.3.4 Bevordert een missionair-diaconale houding bij anderen
    • B.4 Het vermogen om een rijke leeromgeving voor individuen en groepen te creëren en om leer- en vormingsprocessen met religieuze en/of levensbeschouwelijke thema’s te faciliteren
    • B.4 Het vermogen om een bijdrage te leveren aan de ontwikke-ling van het beroep en de beroepsmethodiek met gebruik-making van praktijkgericht onderzoek.
    • B.4.1 Stelt voor diverse individuen en groepen leer- en ontwikkelingsdoelen vast al dan niet in samenwerking met betrokkenen
    • B.4.2 Verdiept zich in de beginsituatie van de lerende(n) en herkent religieuze en/of levensbeschouwelijke ontwikkelingen en ervaringen en kiest samen met lerenden op basis daarvan de leerinhoud en werk- vormen
    • B.4.4 Staat open voor reflectie en feedback van de lerende(n) en is flexibel in het aanpassen van de leeractiviteiten
  • 19SBVWPG Werken in de praktijk: Geestelijk begeleider
    ST,OV,PVlg
    15ec
    73cu
  •  
     
    30ec
    145cu

Idee en vormgeving Fontys Hogeschool voor de Kunsten. Doorontwikkeling en technische realisatie Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing. © Copyright Fontys Hogescholen.